Verwant Verleden: De Zwarte Panters in Nederlands-Indië

Verwant Verleden: De Zwarte Panters in Nederlands-Indië

Verwant Verleden: De Zwarte Panters in Nederlands-Indië

Reacties uitgeschakeld voor Verwant Verleden: De Zwarte Panters in Nederlands-Indië

Primaire bronnen blijven essentieel voor geschiedkundig onderzoek, en wat is een mooiere primaire bron dan je eigen voorouder? Aan de hand van oude foto’s, oral history en familieverhalen plaatsen jonge historici de komende weken de ervaringen van hun voorouders in historische context. Vandaag vertelt Alwyn over zijn grootvader Jan, die eind jaren veertig in Nederlands-Indië diende.

“Ervaring rijker, illusie armer!”, zo eindigt Johannes (Jan) Theodorus Vergeer, mijn grootvader, een kort verslag over zijn periode als dienstplichtige in Nederlands-Indië eind jaren veertig – getypt op de oude typmachine op zijn werkkamer. Ik vond dat als kind een geweldig ding, maar de woorden die het produceerde zijn voor mij als jonge historicus nu van nog grotere waarde. Helaas kan ik hem niets meer vragen, dus is dit stuk gebaseerd op zijn memoires, een fotoalbum en een gedenkboek van zijn regiment. Wat volgt is een kort verslag van zijn ervaringen uit die tijd.

Jan werd geboren op 13 november 1925 te Oudewater als zoon van een rietdekker. Hij genoot een typische, sobere opvoeding in een groot gezin van 11 kinderen in een Nederlands dorp uit die tijd. Maar, “ondanks de zuinige opvoeding, een strenge maar rechtvaardige vader en een goede, hardwerkende moeder met een zwakke gezondheid, slaat de balans toch over naar de positieve kant.” Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Jan te jong voor de dienstplicht. Toen de onafhankelijkheidsstrijd van Nederlands-Indië direct na de capitulatie van Japan in augustus 1945 uitbrak, was hij wél aan de beurt: in mei 1946 hoorde hij bij de eerste opkomst van dienstplichtigen. Nederland wilde de rust en veiligheid herstellen na de Japanse bezetting, maar kreeg ook te maken met de vrijheidsstrijd onder leiding van Soekarno. Dit leidde tot een complexe situatie, waarin de twee “politionele acties” in feite deel uitmaakten van een oorlog tegen de vrijheidsstrijders.

Dienstplicht en uitzending

Als dienstplichtige moest Jan eerst naar de Kaderschool in Harskamp om onderofficier (sergeant) te worden. In juni 1947 werd hij overgeplaatst naar Maastricht, waar op 3 juli 1947 de opkomst was van het vijfde bataljon, zesde regiment infanterie (5-6 R.I.). De opkomst bestond voornamelijk uit Brabantse en Limburgse jongens, dus Jan was als Utrechtse dorpeling een uitzondering. Jan leidde hier jongens op tot ‘mortieristen’, die onderdeel uitmaakten van de ondersteuningscompagnie. Op 11 november 1947 werd het bataljon officieel opgericht. Het 5-6e kreeg de bijnaam Zwarte Panters. Uit krantenartikelen die Jan bewaarde, waaronder uit het Limburgsch Dagblad, valt op te maken dat het 5-6e uit zo’n 850 jongens bestond.[1] De Zwarte Panters werden op 31 januari 1948 uitgezonden – hun vertrek uit Maastricht werd op film vastgelegd. Ze vertrokken die dag aan boord van de Nieuw Holland richting Indië, om hier ruim een maand later te arriveren.

Een groepsfoto van Jan en een onderdeel van de ondersteuningscompagnie, waarschijnlijk de mortieristen. Jan is de tweede van links, onderste rij. (ca. 1949/1950)

Toen de Zwarte Panters aankwamen in Nederlands-Indië was de eerste politionele actie, Operatie Product, al geweest. Deze politionele actie had er in juli 1947 voor gezorgd dat het grootste deel van Java bezet en gecontroleerd werd door Nederlandse troepen. Begin augustus werd door ingrijpen van de Verenigde Naties echter een wapenstilstand afgekondigd. De Zwarte Panters werden in deze periode gelegerd op plekken zo’n honderd kilometer ten westen van Semarang, nabij Pekalongan. In de woorden van Jan was het hier een “tamelijk rustig gebied”, omdat het sinds de eerste politionele actie bezet was door de Nederlanders. Maar een rustige ervaring bleef het niet. “We waren totaal onvoorbereid op alles, wat ons daar te wachten stond in de verre tropen”, aldus Jan, “Onze bewapening en het vervoer daar was slecht.” Dit wordt bevestigd in het gedenkboek, waar ook uit blijkt hoe weinig en slecht materiaal er was. Het regiment was dan ook bezorgd toen de opdracht voor de tweede politionele actie kwam: er zou actie worden gezien, maar hoe zou dit gaan met de beperkte middelen?

De mortieristen in Indië vlak voor een oefening: ‘Straks met mortieren schieten’, luidt het onderschrift in het fotoboek. (ca. 1949/1950)

De Zwarte Panters in actie

Jan (zittend op de rand) en twee medesoldaten: ‘Op de spoorbrug in Wonogiri op wacht’, luidt het onderschrift in het fotoboek. (ca. eind 1949/begin 1950)

De tweede politionele actie werd in december 1948 gelast. Onderhandelingen leidden tot dan toe nergens tot resultaten, dus de Nederlandse regering achtte actie noodzakelijk. Operatie Kraai moest ervoor zorgen dat zowel Java als Sumatra volledig in handen kwamen van Nederland. De Zwarte Panters maakten deel uit van een missie om Solo te bevrijden. Daarna werden ze naar Wonogiri, een gebied met kopermijnen, gestuurd. Het is in deze periode geweest dat het 5-6e actie van dichtbij zag, en hier ook onder leed. In totaal zijn er 43 Zwarte Panters gesneuveld. Hoeveel actie de ondersteuningscompagnie van Jan zag is onbekend, maar ze zullen niet vooraan het front hebben gezeten.

Uiteindelijk was het allemaal tevergeefs. De Nederlandse regering zwichtte onder internationale druk en moest de onafhankelijkheid van Indonesië accepteren. In mei 1949 werd een akkoord bereikt en in december droeg Nederland de onafhankelijkheid officieel over. De Nederlandse soldaten werden langzaam teruggeroepen. Na een lange wachttijd bij Soerabaja werden de Zwarte Panters in april 1950 gerepatrieerd. Op 9 mei 1950 kwam Jan weer in Rotterdam aan. Het Limburgsch Dagblad kopt die dag: “Vandaag de vlaggen uit voor de repatriërende Zwarte Panters.”[2] In het artikel is te lezen dat ruim vierhonderd Zwarte Panters terugkeren. Naast de 43 gesneuvelden van het 5-6e repatrieerden een groot aantal soldaten wegens ziekte, verwonding of andere redenen al eerder.

Controverse, erkenning en terugkeer

In de eerste decennia na de oorlog was er geen ruimte voor discussie omtrent de gang van zaken, laat staan erkenning. De Nederlandse regering bagatelliseerde de onafhankelijkheidsoorlog door het militair ingrijpen “politionele acties” te noemen en de oorlogsmisdaden “excessen”. Op deze manier ontbrak het aan erkenning voor de veteranen, en werd verdrukt dat de oorlog niet fraai was geweest. In Nederland opgeleide, maar onervaren militairen kregen te maken met een tegenstander die guerrillatactieken gebruikte. Dit in combinatie met een onbekend land, het warme klimaat en slechte bewapening moet zwaar zijn geweest. Daarnaast zijn vanuit Nederlandse zijde controversiële situaties voorgevallen. Hier is veel kritiek op ontstaan. Op welke schaal en hoe ver deze eventuele oorlogsmisdaden gingen is moeilijk te achterhalen. Het is echter nog steeds actueel: in 2013 betuigde Nederland nog spijt voor enkele standrechtelijke executies in Nederlands-Indië. Bovendien zijn er recente rechtszaken en duikt er soms nieuwe informatie op omtrent misstanden door Nederlandse troepen.

Jan kreeg na zijn terugkeer te maken met de moeizame verwerking van zijn tijd in Nederland-Indië. “Na onze terugkomst wilde iedereen die – dikwijls nare – tijd in dat prachtige land gauw vergeten, net als de Nederlandse regering, die met haar schuldgevoel en met ons niet goed raad wist.” Het verdrukken kwam dus niet alleen vanuit de regering, maar gold ook op persoonlijk vlak. Thuis werd er ook nooit over gepraat. Als je er naar vroeg, kreeg je een kort, ontwijkend antwoord, herinnert mijn moeder zich. “Pas veel later kwam erkenning voor wat we daar gedaan hebben en kwamen er reünies en ging men daar heen met vacantie.” Ook Jan kreeg hier de kans voor: hij keerde in 1999 voor drie weken terug naar Indonesië. “Een prachtige en onvergetelijke reis”. Volgens mijn moeder leek het alsof Jan hierna ook meer vrede had met wat hij daar al die jaren eerder meemaakte. Hij zag hoe Indonesië zich in 50 jaar onafhankelijkheid had ontwikkeld en kon de schoonheid van het land hierdoor meer waarderen.

Alwyn Voogd (1993) zit momenteel in de afrondende fase van zijn bachelor Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Gedurende zijn bachelor heeft hij zich voornamelijk gespecialiseerd in Globalisering (verdiepingspakket) en Conflict Studies (minor). Vanaf september 2016 heeft hij een semester aan de University of Birmingham gestudeerd, waar hij bij het departement politieke wetenschappen zich heeft gefocust op internationale politiek. Vanaf februari 2017 loopt hij stage bij het project Onze Indische Buurten. In september 2017 hoopt hij te starten aan de master Conflict Studies and Human Rights in Utrecht.

Bronnen

J.G.M.H. Corbeij en P. Vroemen (red.), Vijf-Zes. Hoe het reilde en zeilde, Echt, 1950.
J.T. Vergeer, ‘Nederlands-Indië (thans Indonesië) tijdens en na de 2e Wereldoorlog’, Memoires.
J.T. Vergeer, ‘Herinneringen aan mijn jeugd’, Memoires.
J.T. Vergeer, ‘Verslag van mijn reis naar Indonesië’, Memoires.

[1] In een artikel over de terugkeer: Limburgsch Dagblad, ‘Vandaag de vlaggen uit voor de repatriërende “Zwarte Panters”’, 9 mei 1950, valt dit bijvoorbeeld te lezen. Jan bewaarde ook enkele krantenartikelen uit 1948, maar van welke krant deze komen is niet te achterhalen.

[2] Limburgsch Dagblad, ‘Vandaag de vlaggen uit voor de repatriërende “Zwarte Panters”’, 9 mei 1950.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top