Vriend & Vijand – Duitse historici en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog

Vriend & Vijand – Duitse historici en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog

Vriend & Vijand – Duitse historici en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog

Reacties uitgeschakeld voor Vriend & Vijand – Duitse historici en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog

Soms verandert de historicus zelf van ‘vriend’ in ‘vijand’, wanneer het regime dat hij steunde ten onder gaat en de volgende generaties afrekenen met hun voorgangers. Vincent Bijman vertelt in deze context over Duitse discussies over ‘Hitlers gewillige historici’.

Afgelopen jaar waren Duitse historici in de ban van het boek Sleepwalkers van Christopher Clark. Dit boek blies nieuw leven in een discussie over de rol van Duitsland tijdens de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog. Volgens Clark zou Europa onbewust – ‘al slaapwandelend’ – de oorlog in gelopen zijn. Verschillende Duitse historici reageerden gepikeerd op deze these. Clark’s standpunt zou vergaande gevolgen hebben als men de historische continuïteitslijnen doortrekt naar de Tweede Wereldoorlog en daarna. Als Clarks these klopt, in hoeverre dienen we dan Duitsland te zien als agressor in de gehele twintigste eeuw? Dat juist Duitse historici in verschillende artikelen zo heftig reageerden op Sleepwalkers vertelt ons iets over de Duitse geschiedwetenschap. Men heeft het in deze context bijvoorbeeld over Schuldstolz (het gaat nu zo goed met Duitsland omdat men schuld bekend heeft). Tegelijkertijd kwamen historici aan het eind van de twintigste eeuw zelf onder vuur te liggen.

Terwijl Duitse historici na afloop van de Tweede Wereldoorlog intensief onderzoek deden naar de Duitse oorlogsschuld, heeft het opvallend lang geduurd voordat men ook aandacht besteedde aan de betrokkenheid van historici met het Nazi-regime. Dit werd pijnlijk duidelijk tijdens de 42. Frankfurter Historikertag in 1998. Tijdens een bijeenkomst over ‘historici tijdens het nationaalsocialisme’ werd de eerste generatie Duitse naoorlogse historici verweten geen kritische houding ten opzichte van hun Doktorväter (promotoren) aangenomen te hebben. Tot 1998 heerste de opvatting dat slechts een klein deel van de Duitse historici tijdens de oorlog ‘fout’ was. Het bekendste voorbeeld hiervan is Walter Frank, oprichter van het Reichsinstituut für Geschichte des neuen Deutschlands die de Duitse geschiedenis in een nationaal-socialistisch perspectief plaatste. Veel prominente historici die na de oorlog belangrijke posities binnen de geschiedwetenschap innamen (door bijvoorbeeld een voorzittersfunctie bij een belangrijke historische vereniging te bekleden) verzwegen liever hun carriere tijdens het Derde Rijk. De historicus Hans Schneider ging zelfs zover dat hij na 1945 een nieuwe identiteit nam en zich vanaf toen Hans Schwerte noemde. Dit was niet lastig gezien de administratieve chaos waarin Duitsland in de eerste jaren na 1945 verkeerde. Ook kozen enkele historici voor het reviseren van hun eerdere werk door opvallend nationaal-socialistisch taalgebruik te verwijderen. De mediëvist Otto Brunner heeft op deze wijze geprobeerd zijn werk te camoufleren.

Het heeft opvallend lang moeten duren voordat de betrokkenheid van de Duitse geschiedwetenschap bij het nationaal-socialisme naar buiten kwam. Dit heeft in belangrijke mate te maken met de Duitse wetenschapscultuur. De eerste naoorlogse geschiedenisstudenten bevroegen hun leraren niet omdat zij zelf een pijnlijk oorlogsverleden kenden. Studenten die in de periode 1930-1940 geboren waren hadden alleen jeugdherinneringen aan de oorlogstijd en waren van mening dat zij niet de mogelijkheid hadden om kritische vragen te stellen. In de interviewbundel Versäumte Fragen formuleert Hans Mommsen dit nog het meest treffend: ‘Vergeet de factor politieke macht niet – deze mensen beslisten over carrières, hierdoor was het onmogelijk om in opstand te komen. Tegen de wil van deze prominente professoren maakte niemand kans om een succesvolle wetenschappelijke carriere te beginnen’.

Geen wonder dat de discussie pas op gang kwam in 1998, toen de prominente historici zoals Werner Conze, Theodor Schieder en Karl Dietrich Erdmann al overleden waren. Plaatsvervangend werd de eerste naoorlogse generatie historici ter verantwoording geroepen: onder anderen Hans-Ulrich Wehler en de gebroeders Hans Mommsen en Wolfgang J. Mommsen. Het werd duidelijk dat een veel groter deel van de Duitse historici actief hadden bijgedragen aan een nationaal-socialistische geschiedschrijving, die niet alleen het Derde Rijk van een historisch fundament voorzag, maar ook de vervolging van de Joden legitimeerde. Götz Aly noemde deze historici zelfs Vordenkers der Vernichtung (voordenkers van de vernietiging) en sprak over ‘Hitlers gewillige historici’, verwijzend naar Daniel Goldhagen’s controversiële boek Hitlers Willing Executioners.

Deze discussie zet aan tot de overweging van een paar interessante geschiedfilosofische vragen. Vriend en vijand, goed en kwaad en in het geval van de Tweede Wereldoorlog ‘goed’ en ‘fout’ zijn begrippen waaraan morele oordelen over het verleden verbonden zijn. Historici kunnen deze morele oordelen niet negeren, maar moeten zich hiertoe in hun werk verhouden.

Ten tweede stond de continuïteit van de West-Duitse geschiedwetenschap ter discussie: in hoeverre kende de West-Duitse geschiedschrijving ‘bruine wortels’? Hoe verhoudt de personele continuïteit zich tot de continuïteit van de gehele wetenschapsdiscipline en in hoeverre rijkt deze zelfs verder terug, bijvoorbeeld tot aan de Weimar-periode? Ten derde raken we in deze discussie aan de grenzen van de relatie tussen wetenschap en persoonlijke biografie van de betroffen historici. Hun persoonlijke betrokkenheid is misschien wel evident, maar kan men daarmee hun wetenschappelijke werk afkeuren? En welk gevolg heeft dit voor de leerlingen die hun denken hebben overgenomen? Ten slotte gaat het hierbij ook om een vraag naar de relatie tussen politiek en macht. De Nederlandse geschiedfilosoof Chris Lorenz plaatst om die reden terecht kanttekeningen bij het idee van de geschiedschrijving als ‘beleidswetenschap’. Het is aan de huidige generatie historici om de politieke invloed van geschiedenis op waarde te schatten en altijd rekening te houden met de invloed van de eigen biografie. Hun werk is in veel gevallen allesbehalve objectief en onschuldig, terwijl ze een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben.

Vincent JH2Vincent Bijman (1990) studeerde Geschiedenis aan de VU en aan de FU in Berlijn. Voor zijn bachelorscriptie deed hij onderzoek naar de vraag ‘hoe schrijft men een geïntegreerde Geschiedenis over Duitsland ten tijde van de Koude Oorlog? Daarnaast was hij voorzitter van de Facultaire Studentenraad Letteren aan de VU in het collegejaar 2012-2013. Vorig jaar begon hij met de Onderzoeksmaster Geschiedenis aan de UvA waar hij zich specialiseert in de geschiedenis van de Europese integratie en de relatie tussen Duitsland en Europa.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top