Vrouwen in het leger: ‘moet dat nou?’

Vrouwen in het leger: ‘moet dat nou?’

Vrouwen in het leger: ‘moet dat nou?’

Reacties uitgeschakeld voor Vrouwen in het leger: ‘moet dat nou?’
door Kim Bootsma

 

“Of de vrouwelijke hulpkorpsen hun plaatsen zullen krijgen in het kader van onze toekomstige strijdkrachten is nog niet beslist. Bij den van nature behoudenden Nederlander bestaat er een gevoel van: waarom moet dat nou? Er wordt gewezen op de moreele gevaren: het kan toch nooit goed gaan, jongens en meisjes onder niet geheel normale omstandigheden zoo dicht op elkaar.”

Uit: “Vrouwen onder de wapenen,” De Groene Amsterdammer (1946)

 

Afgelopen februari stemde de Ministerraad in met het voorstel van minister Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie om met ingang van 2018 ook voor vrouwen de dienstplicht in te voeren. De reden voor de wijziging is het belang van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Tot nu toe stelde Defensie dat vrouwen zijn uitgesloten door hun achterstand op de arbeidsmarkt. Hennis zei hier vorig jaar over dat de gelijke behandeling van mannen en vrouwen nu zwaarder weegt dan een eventuele achterstand op de arbeidsmarkt. Bovendien zijn vrouwen volgens haar inmiddels vrijwel even hoog opgeleid als mannen. En Defensie heeft juist hoogopgeleide specialisten nodig, aldus de minister.[1] Een jaar eerder had de minister al bekendgemaakt dat vrouwen met ingang van 2017 ook toegang zullen krijgen tot de voorheen alleen uit mannen bestaande elitetroepen van de krijgsmacht.[2] Hiermee had de kwestie van vrouwen in de krijgsmacht ook al even volop in de aandacht gestaan.

In dit artikel draait het niet om de huidige positie van vrouwelijke militairen in het Nederlandse leger, maar om de geschiedenis die daaraan vooraf is gegaan. De officiële geschiedenis van vrouwen in de Nederlandse krijgsmacht begon op 20 december 1943, toen het eerste Nederlandse militaire vrouwenkorps, het Vrouwen Hulpkorps (VHK), in Groot-Brittannië werd opgericht. Omdat Groot-Brittannië al tijdens de Eerste Wereldoorlog had gewerkt met militaire vrouwenkorpsen, was een vrouw in uniform daar geen apart verschijnsel in het straatbeeld meer. In Nederland hadden vrouwen echter nog niet eerder militaire functies vervuld, dus toen de eerste vrouwen van het VHK in november 1944 vanuit Groot-Brittannië in Nederland aankwamen, was de verontwaardiging groot. Vooral christelijke organisaties uitten bezwaren, maar ook politici en vrouwenorganisaties lieten van zich horen. Het is deze kritiek, die bol staat van (nu compleet verouderde) ideeën over mannen en vrouwen en wat hun plek in de samenleving hoort te zijn, wat mij als jonge historicus zo fascineert en waar ik met dit artikel graag iets meer van zou willen laten zien.

 

De oprichting van het Vrouwen Hulpkorps

Hoewel in 1941 op het Nederlandse Departement van Oorlog in Londen al even was nagedacht over de inzet van vrouwen in de strijd tegen de Duitse bezetter, waren het de vrouwen van de ‘Bond van Nederlandsche Vrouwen in Groot-Brittannië’ die de eerste aanzet gaven voor de oprichting van het VHK. Geïnspireerd door de Britse vrouwen, wilde de Bond met het VHK in de bevrijde delen van Nederland hulp verlenen aan de noodlijdende bevolking. Op 25 april 1944 trad de eerste vrouw, C.E. Smit-Dyserinck, de latere commandante van het VHK, officieel in dienst bij het korps. Er werd een rangenstelsel ingevoerd en het korps kreeg een vaste militaire staf. Ook kregen de vrouwen die zich hadden aangemeld bij het VHK een militaire opleiding en een militair uniform. Voor het eerst in de geschiedenis maakten vrouwen nu deel uit van de Nederlandse krijgsmacht.

Hoewel het VHK officieel onderdeel uitmaakte van de Koninklijke Landmacht, was het niet de bedoeling dat de vrouwen zouden gaan vechten. De vrouwen van het VHK zouden vooral worden ingezet voor sociaal-humanitaire en ondersteunende werkzaamheden, die ook al in het gewone burgerleven als geaccepteerde ‘vrouwelijke werkzaamheden’ werden gezien. De eerste 200 VHK-sters die op 14 november 1944 vanuit Groot-Brittannië Oostende hadden bereikt, kregen bijvoorbeeld de opdracht om in het bevrijde zuiden noodkeukens in te richten, het voedseltransport te regelen en de verspreiding van schurft en luizen tegen te gaan. Daarnaast beschikte het VHK over een eigen transportcolonne van zes drietonners met twaalf chauffeurs waarmee het voedsel en kolen naar verschillende militaire eenheden kon vervoeren. Een kleinere eenheid hielp het Rode Kruis met de distributie van kleding en dekens.

Vrouwen van het VHK marcheren tijdens een inspectiebezoek van minister van Oorlog, Van Lidth de Jeude, aan het trainingskamp Wolverhampton in Groot-Brittannië (juli 1944). Bron: Keystone Press, Nationaal Archief, VHK (archiefinventaris 2.24.01.02).

De oprichting van de MARVA (Marine Vrouwenafdeling)

Vlak voordat de eerste VHK-sters vanuit Engeland in Oostende aan wal gingen, was er op 31 oktober 1944 ook een vrijwillige vrouwenafdeling van de Nederlandse Marine opgericht: de MARVA. De MARVA werd bewust bijna een jaar later dan het VHK opgericht, omdat de marineleiding de vrouwen pas ná de bevrijding van Nederland wilde inschakelen. Anders dan bij het VHK, was het de bedoeling dat de vrouwen van de MARVA na de bevrijding administratieve en huishoudelijke werkzaamheden van de mannen zouden gaan overnemen, zodat deze vrij konden komen om oorlog te voeren tegen Japan en om Nederlands-Indië te bevrijden. Hier lag immers op dat moment de prioriteit voor de marine. Bij de bevrijding zelf was voor de MARVA geen taak weggelegd. Bovendien wilde de marineleiding, meer dan het geval was bij het VHK, van de MARVA een soort ‘keurkorps’ maken dat zou bestaan uit zedelijke en opofferingsgezinde vrouwen. De strenge selectie voor het korps zou veel tijd in beslag gaan nemen.

Omdat de marineleiding hoofdzakelijk in Nederland zou beginnen met het werven van vrouwen – het VHK had haar eerste leden vooral in Groot-Brittannië gerecruteerd -, wilde zij eerst peilen hoe de Nederlandse bevolking aankeek tegen het idee van vrouwen in uniform. Luitenant E.H. Larive, hoofd van de Marine Voorlichtingsdienst (MARVO), werd daarom in september 1944 naar Nederland gezonden om de publieke opinie te peilen. Hierbij kwam hij onder andere terecht in Zeeuws-Vlaanderen, waar Francien de Zeeuw woonde. De Zeeuw was tijdens de oorlog actief geweest in het verzet en stond ook wel bekend als de ‘heroine of Zeeland.’ Met het idee haar verzetswerk bij de MARVA te kunnen voortzetten, vertrok zij in december 1944 op verzoek van Larive naar Engeland om dienst te nemen bij de MARVA. Op 18 december 1944 werd zij daar als eerste MARVA geïnstalleerd.[3]

 

Verzet van de rooms-katholieke en protestantse geestelijkheid

De Zeeuw zou echter nog tot half april 1945 de enige MARVA blijven. Verwoede pogingen van de marine om via posters en brochures vrouwen uit het bevrijde zuiden voor de MARVA te werven leverden niets op. Vooral het verzet vanuit de rooms-katholieke kerk, die in het zuiden van het land nog een sterke invloed had, bleek de werving in de weg te staan. De deken van Hulst had bijvoorbeeld een verbod ingesteld voor katholieke vrouwen om zich aan te sluiten bij de MARVA, vanwege de ‘godsdienstige en zedelijke’ gevaren die hieraan verbonden waren. In een oproep aan zijn collega’s om hetzelfde te doen, stelde de deken dat er bovendien in alle huishoudens in Nederland een groot tekort aan hulp bestond en dat een meisje van nature in de eerste plaats aangewezen was haar moeder in het huisgezin te helpen.[4] Ook de bisschoppen van Breda en ’s-Hertogenbosch waren gekant tegen de MARVA. Op 17 december 1944 schreven zij in een brief aan de minister van Marine in Londen: “Het gezonde en normale gezinsleven van onze meisjes en vrouwen is een nationaal belang en van nog hoogere importantie, dan het dienst nemen bij de MARVA’s.” De opbouw van het door de oorlog ontwrichte gezinsleven had volgens de bisschoppen de allerhoogste prioriteit. Bovendien hadden de bisschoppen bezwaren tegen het ‘onvrouwelijke’ werk dat de MARVA’s zouden gaan doen, zoals het rijden met zware vrachtwagens en het uitvoeren van verschillende technische bezigheden.[5] Ook waren de bisschoppen ontstemd over het feit dat ze niet eerder waren geraadpleegd over de oprichting van de vrouwenkorpsen.

Francien de Zeeuw, de eerste MARVA (1944). Bron: NIMH.

De Nederlands-hervormde kerken hadden op vergelijkbare wijze hun bezwaren geuit tegen de inzet van vrouwen in de krijgsmacht. Hoewel van een echt verbod geen sprake was, raadden de kerken het de vrouwen sterk af zich aan te melden voor de vrouwenkorpsen. In een nota die was opgesteld na een bijeenkomst van de urgentieraad op 8 maart 1945, liet de Nederlands-hervormde kerk weten zich tegen de MARVA uit te spreken, omdat in eerste instantie de hoofdfunctie van de vrouw in het gezinsleven lag. “Het is, zeer in het bijzonder in dezen tijd bitter noodig, dat het meisje, dat eens vrouw zal worden, de weg naar het gezin worden gewezen,” aldus de raad. De MARVA zou de meisjes aan het gezinsleven onttrekken en hen bovendien aan allerlei zedelijke gevaren blootstellen. Daarbij was het volgens de raad niet aannemelijk dat de krijgsmacht vrouwen nodig had vanwege een tekort aan mannelijk personeel. Volgens de raad stonden er juist “duizenden goedgekeurde oorlogsvrijwilligers” afwachtend te trappelen van ongeduld.[6] In april 1945 gingen de kerken een stapje verder en verzochten zij de minister van Marine om niet tot werving voor de MARVA over te gaan. “Gezien de ontredderden toestand waarin ons land zich op het gebied van het gezinsleven door bezetting en de gevolgen der oorlogshandelingen bevindt (…) [mogen] de morele gevaren, waarin deze vrouwen en meisjes zullen komen niet onderschat worden omdat zij zelf de steun van gezinsleven en eigen milieu zullen missen.”[7]

Na intensief overleg tussen de marineleiding en de bisschoppen, veranderde de katholieke kerk haar houding ten aanzien van de MARVA. De bisschoppen stonden toe dat onder bepaalde voorwaarden katholieke meisjes lid mochten worden van de MARVA. Op 14 maart 1945 werd schriftelijk vastgelegd dat bij de werving van vrouwen aan een vijftal voorwaarden moest worden voldaan. Eén daarvan gold specifiek voor rooms-katholieke vrouwen: haar minimumleeftijd moest (in geval van dienst buiten Nederland) 22 jaar zijn. Voor anderen was die lager, namelijk 18 jaar. Voor alle vrouwen gold wel dat zij, wanneer zij beneden de leeftijd van 30 jaar (!) waren, een schriftelijk bewijs van instemming van de ouders of voogden moesten overleggen. Daarnaast werd beloofd dat er buiten actieve dienst zoveel mogelijk toezicht op de MARVA’s zou worden gehouden. Ook zegde de marine toe dat het geen transportafdeling voor de vrouwen zou opzetten en dat technische functies niet meer dan het werk van telegrafiste zouden inhouden. De MARVA’s zouden vooral worden bestemd voor administratieve en huishoudelijke functies. Voor de MARVA waren de problemen met de geestelijkheid nu, in ieder geval tijdelijk, opgelost.[8]

 

‘Verwildering der zeden’

Hoe reageerde de rest van de Nederlandse bevolking op de komst van de militaire vrouwenkorpsen? Er waren in Nederland weliswaar al voor en tijdens de oorlog een aantal vrijwillige vrouwenkorpsen opgericht (waaronder het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers en de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers) maar deze hadden nooit een militaire status gehad. Wel had de Nederlandse bevolking tijdens de bezetting kennis gemaakt met de Duitse vrouwenkorpsen. Deze vrouwen hadden echter allesbehalve een goede reputatie. Vooral bij de marine, die pas in Nederland zou beginnen met het rekruteren van vrouwen, was men bang dat de ervaring met deze Duitse vrouwenkorpsen de acceptatie van Nederlandse vrouwen in uniform in de weg zou kunnen staan. Journalist mr. G.J. van Heuven Goedhart, die in juni 1944 vanuit bezet gebied naar Londen was ontsnapt en een maand later al tot minister van Justitie was benoemd, waarschuwde de voorbereiders van de MARVA dat een militair vrouwenkorps ongetwijfeld herinneringen aan de “verfoeilijke ‘grijze muizen’ der Duitsers” zou oproepen. Hij moest er in ieder geval niet aan denken zijn eigen dochter tot zo’n korps te laten toetreden.[9] Volgens Narda van der Harst, een VHK-ster van het eerste uur, werden de Nederlandse vrouwen in uniform in eerste instantie ook maar raar aangekeken: “De bevolking van Nederland had in het begin erg veel moeite met een vrouw in uniform” en, zo vervolgt ze, “ze vonden het heel raar dat we lippenstift droegen.”[10] Ook generaal Kruls heeft in zijn memoires aangegeven dat de vrouwen van de hulpkorpsen heel wat moeilijkheden te overwinnen hebben gehad, niet in de laatste plaats vanwege allerlei bespottingen en “onbillijke verdachtmakingen.”[11]

Ondanks de belangstelling onder de jonge vrouwen zelf, zagen de vrouwenkorpsen zich dus geconfronteerd met flink wat maatschappelijke kritiek. Na de kerken, waren het vooral lokale bestuurders en vrouwenorganisaties die van zich lieten horen. Het protest van de burgermeester van het in Noord-Brabant gelegen Schijndel is hier een goed voorbeeld van. Op 31 januari 1945 schreef deze burgermeester in een brief aan de commissaris van de koningin dat hij “groote bezwaren” had tegen de indienstneming van vrouwen bij de MARVA, “gelet op de verwildering der zeden.” Volgens de burgermeester waren de meisjes en vrouwen in zijn gemeente “moreel niet sterk en flink genoeg om te worden blootgesteld aan kazerneleven en wat daaraan vastzit.” Bovendien vreesde hij “dat bij terugkeer in het normale leven van onze Schijndelsche vrouwelijke jeugd, zij niet meer zullen blijken te zijn die vrouwen en meisjes waarmede onze mannen en jongens degelijke gezinnen kunnen opbouwen, waaraan juist dan onze maatschappij behoefte zal blijken te hebben.” Mede hierdoor gaf de burgermeester sterk de voorkeur om eerst alle mannen en jongens die daarvoor in aanmerking komen te rekruteren voor dienst in het leger.[12]

Twee leden van het VHK reiken voedsel uit aan een Rotterdamse vrouw, die het in de deuropening van haar woning in ontvangst neemt. Een controleur in burgerkleding houdt toezicht (mei 1945). Bron: Beeldbank Ministerie van Defensie, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht.

Net zoals we zagen bij de kerken, was de kritiek van de burgermeester van Schijndel niet zozeer gericht op het werk dat de vrouwenkorpsen deden, maar meer op de mannenwereld waarin de vrouwen terecht zouden komen. Het overgrote deel van de MARVA’s zou immers gaan functioneren in beroepen die ook al voor de oorlog geaccepteerd waren als vrouwenberoepen, zoals secretaresse, typiste en werk van verzorgende en sociaal-humanitaire aard. Deze beroepen werden verbonden aan typisch vrouwelijke eigenschappen zoals netheid en de drang tot zorgen voor anderen. Het echte probleem lag volgens de tegenstanders van de vrouwenkorpsen dan ook vooral in het feit dat het werk binnen een militaire mannensamenleving zou gaan plaatsvinden en dat de jonge vrouwen, anders dan bij ‘normale’ beroepen, van het ouderlijk huis gescheiden werden. Men was bang dat het kazerneleven seksuele losbandigheid en morele verwildering met zich mee zou brengen: een aantal jonge vrouwen te midden van zoveel mannen, dat móest wel fout gaan. Bovendien, zo was de gedachte, zou het normale gezinsleven door de afwezigheid van vrouwen ontwricht raken.

 

Kritiek vanuit vrouwenorganisaties

Daarnaast waren het ook vrouwenorganisaties zelf die bezwaar maakten tegen de vrouwenkorpsen. Deze vrouwenorganisaties legden veel gewicht in de schaal, vooral omdat zij zich net hadden verenigd in één Nederlands Vrouwen Comité (NVC). Dit comité was in de eerste helft van 1944 opgericht en omvatte alle grote landelijke vrouwenorganisaties. Naar aanleiding van negatieve berichten over het vrouwen hulpkorps, richtte het NVC zich op 16 juli 1945 rechtstreeks tot Wim Schermerhorn, minister van Algemene Zaken en voorzitter van het onlangs aangetreden kabinet. In een brief aan de minister liet het comité weten ongerust te zijn over de grote gevaren verbonden aan de tewerkstelling van vrouwen en meisjes in militaire korpsen en ‘eenigszins huiverig’ tegenover deze nieuwe vorm van vrouwenarbeid te staan.[13] Op verzoek van het comité werd een jaar later, op 26 maart 1946, een ‘Commissie van Advies voor den Arbeid van Vrouwen en Meisjes’ ingesteld. In juni 1946 werd er door deze Commissie van Advies een subcommissie, bestaande uit vier vrouwen, aangesteld die het VHK en de MARVA moest gaan onderzoeken. Op 13 juni werd Smit-Dyserinck, hoofd van het VHK, bezocht, acht dagen later chef MARVA, H. van Slooten. Ook bekeek de subcommissie een aantal VHK- en MARVA-huizen in Den Haag, Leiden en Amsterdam. In augustus werd het onderzoek afgerond. Het resultaat bestond uit twee deelrapporten over het VHK en de MARVA afzonderlijk en een algemeen rapport over de gemilitariseerde vrouwenkorpsen. Hoewel de vrouwenkorpsen er in de afzonderlijke rapporten over het VHK en MARVA relatief goed vanaf kwamen – de MARVA nog iets beter dan het VHK vanwege haar focus op vrouwen uit de ‘betere standen’ – was de subcommissie toch van mening dat de invoeging van vrouwen in het militaire systeem niet wenselijk was en dat deze tot op een minimum beperkt zou moeten worden.

Advertentie MARVA, ‘Meisje, denk eens aan de toekomst!’ afkomstig uit tijdschrift Panorama (1949), Marinemuseum, Den Helder. Bron: Maritiem Digitaal.

Volgens de commissie paste de sterk afwijkende geaardheid van vrouwen niet bij het militaire apparaat, dat in zijn geheel was opgebouwd voor en door mannen en dus ook was aangepast aan de mannelijke mentaliteit. Daarbij kwam dat ‘de vrouw’ volgens veel psychologen hoofdzakelijk in het heden leeft en weinig in de toekomst, waardoor zij maar weinig de neiging heeft om zich te verdiepen in en voorbereiden op eventuele oorlogskansen. Bovendien, zo stelde de commissie, hadden de VHK-sters en MARVA’s te weinig de gelegenheid om “de vrouwelijke behoefte aan zorgen uit te leven” en om “een eigen sfeer te scheppen.” Ook was er binnen de krijgsmacht, waarin men streeft naar een zo groot mogelijke gelijkvormigheid, nauwelijks ruimte voor de typisch vrouwelijke behoefte aan een persoonlijke en individuele behandeling. Tot slot vond de commissie de mobiliteit binnen het leger en de marine bezwaarlijk, omdat voor vrouwen in het algemeen “de arbeidsvreugde” meer afhangt van de mensen op de werkplek, dan van het werk an sich: “door de steeds wisselende omgeving moeten telkens oude banden worden verbroken en nieuwe worden aangeknoopt, waardoor het gevoelsleven niet tot verdieping kan komen.” Al deze bezwaren wogen volgens de commissie nog eens extra zwaar, omdat het bij het VHK en de MARVA hoofdzakelijk ging om vrouwen tussen de leeftijd van 18-25 jaar, de leeftijd waarin “deze typisch vrouwelijke kanten zich beginnen te ontplooien [en] welke groei door het Militaire leven onderdrukt wordt.”[14]

 

Protest van confessionele politieke partijen

In deze sfeer van kritiek en commentaar, was het onvermijdelijk dat ook de Nederlandse politiek zich ging beraadslagen over de toekomst van de vrouwenkorpsen. Het VHK was na de bevrijding van het noorden op 5 mei 1945 ook in deze gebieden aan de slag gegaan. Begin 1946 begonnen de meeste VHK-sters van het eerste uur de dienst te verlaten. De toestand in Nederland was inmiddels redelijk genormaliseerd, maar de duur en de afloop van het conflict in de Oost waren nog onzeker. Wat moest er nu met het VHK en de MARVA gebeuren? Historicus Melchior Bogaarts heeft in het eerste deel van zijn boekenreeks over de parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945 beschreven hoe de ministers van Oorlog en Marine van het eerste democratische kabinet na de oorlog, aanvankelijk van harte werden gesteund in hun beleid door regeringspartijen én oppositiepartijen (met uitzondering van de Communistische Partij van Nederland), behalve op één punt, namelijk de aanstelling van vrouwen in de krijgsmacht.[15] Vooral de vertegenwoordigers van de Katholieke Volkspartij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijke Historische Unie (CHU) stonden afkeurend tegenover de komst van de vrouwenkorpsen.

Hierbij liet met name de KVP van zich horen. Tijdens de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer op 26 en 27 november 1946 sprak de woordvoerder van de KVP nog over de vrouwenkorpsen als een overgewaaide nieuwigheid die Nederland veel schade berokkende, die vrouwen aan morele gevaren blootstelde en die bovendien de gezinnen van goede hulp beroofde. Ook andere Kamerleden uit het christelijke kamp tekenden verzet aan tegen de vrouwenkorpsen. Anton Roosjen, lid namens de ARP, vroeg zich af wat dat wel voor nuttige taken waren “welke dezen vrouwkens te vervullen hebben.” Hij zag deze “vreedzame Kenau’s” liever gaan dan komen. Hendrik Tilanus (CHU) vond het een gruwel dat een vrouw in dienst een hogere rang kon hebben dan een man en dat de betaling voor de vrouwelijke hulpkrachten gelijk was aan die van mannen met een gelijke rang.[16]

 

Het einde van de ‘vreedzame Kenau’s’?

Ondanks alle kritiek bleven beide vrouwenkorpsen bestaan. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd een groot aantal VHK-sters naar Egypte uitgezonden voor dienstverlening bij de repatriëring van Nederlandse families uit voormalig Nederlands-Indië. Ook werden zowel leden van het VHK als de MARVA naar Indonesië zelf uitgezonden om daar aan de slag te gaan bij de administratieve, huishoudelijke en geneeskundige dienst. De vrouwen werden in speciale huizen ondergebracht en stonden hierbij onder streng toezicht. Toch kon dit niet voorkomen dat men in Nederland uiterst kritisch bleef op de aanwezigheid van deze vrouwen in de krijgsmacht. ‘120.000 mannen tegenover een paar honderd vrouwen, dat kon nooit goed gaan’, zo was de gedachte.

Volgens mevrouw H. van Slooten, chef van de MARVA, vormde het beperkt aantal taken dat het korps mocht uitvoeren een belangrijke factor in de negatieve beeldvorming. Veel mensen, waaronder menig leger- en marinepersoneel, waren van mening dat de VHK-sters en MARVA’s maar onnodig dure krachten waren, die net zo goed vervangen konden worden door burgerpersoneel. Dat de MARVA’s net als de VHK-sters in verhouding dure krachten waren, sprak Van Slooten niet tegen. Volgens haar had de MARVA door het beperkt aantal dienstvakken en de geringe opleidingsmogelijkheden zich niet verder kunnen ontwikkelen dan een korps van ‘verklede typistes’. Alleen het uniform onderscheidde de MARVA’s van burgers, aldus Van Slooten.[17]

Om die reden bepleitte Van Slooten de vorming van een permanent beroepskorps, waarin een scala aan rangen en dienstvakken voor vrouwen zou openstaan. Op 1 juli 1952 kwam dit korps er. Een jaar eerder had het VHK al een soortgelijke ontwikkeling doorgemaakt. Op 30 oktober 1951 werd bij Koninklijk Besluit de MILVA, de Militaire Vrouwen Afdeling, opgericht ter vervanging van het VHK. Ook werd er in juli 1951 een vrouwenafdeling binnen de Nederlandse luchtmacht opgericht: de LUVA, de Luchtmacht Vrouwenafdeling. Met de oprichting van de vrouwelijke beroepskorpsen MARVA, MILVA en LUVA was er nu een blijvende plaats voor vrouwen in de krijgsmacht ingeruimd.

 

Kim Bootsma (1992) rondde begin 2017 haar onderzoeksmaster Modern History and International Relations aan de Rijksuniversiteit Groningen af met een scriptie over de geschiedenis van de Nederlandse militaire vrouwenkorpsen (1940-1946). Tijdens en kort na haar studie werkte zij o.a. bij het KITLV, Studium Generale Groningen en de Provincie Gelderland. In september 2017 begint zij met haar promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen naar de integratie van vrouwen in de Nederlandse krijgsmacht (1971-2017).

 

 

DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS VERSCHIJNT HIER BINNENKORT. BEKIJK HIER ONDERTUSSEN ALLE SCRIPTIES VAN DE UITGEVERIJ.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

NOTEN

[1] “Dienstplicht ook voor vrouwen,” Nieuwsbericht Ministerie van Defensie (24 februari, 2017), https://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2017/02/24/dienstplicht-ook-voor-vrouwen

[2] Zie “Korps Mariniers open voor vrouwen,” Nieuwsbericht Ministerie van Defensie (27 mei, 2016), https://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2016/05/27/korps-mariniers-open-voor-vrouwen

[3] Anita M.C. van Dissel en Jaap R. Bruijn, Bij de MARVA (Amsterdam 1994) 17-28.

[4] Zie de oproep van de Deken uit Hulst aan zijn collega’s (begin januari 1945), geciteerd uit een aflevering van het programma Het Spoor Terug, getiteld ‘het Vrouwen Hulp Korps’ (VPRO archief, 5 februari, 1995).

[5] Geciteerd uit een aflevering van Andere Tijden, getiteld ‘Vrouwen ten strijde!’ (NPO Geschiedenis, 11 november, 2012), bezocht op 1 juni, 2017, http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2012-2013/Vrouwen-ten-strijde.html.

[6] Nota in zake de MARVA (maart 1945), Archief Het Nederlandse Vrouwen Comité (NVC), inv.nr 152, collectie Internationaal Archief voor Vrouwenbeweging (IAV) in Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis.

[7] Artikel in Het Zeeuws Dagblad (30 april, 1945), geciteerd uit Andere Tijden, ‘Vrouwen ten strijde!’.

[8] Van Dissel en Bruijn, Bij de MARVA, 24, 35.

[9] De oprichting van de Marine Vrouwen Afdeling en haar voorgeschiedenis, geschreven door Van Boetzelaer, Nationaal Archief Den Haag, Ministerie van Marine: Collectie Marine Vrouwenafdeling, 1944-1974, nummer toegang 2.12.31, inventarisnummer 1.

[10] Interview met Narda van der Harst, geciteerd uit de aflevering ‘het Vrouwen Hulp Korps’ van het programma Het Spoor Terug.

[11] H.J. Kruls, Generaal in Nederland. Memoires H.J. Kruls (Bussum 1975) 176.

[12] Afschrift Gemeente Schijndel (brief van de burgermeester van Schijndel aan de commissaris der koningin in de provincie Noord-Brabant, 31 januari, 1945), Nationaal Archief, Den Haag, Militair Gezag, nummer toegang 2.13.25, inventarisnummer 3068.

[13] Brief van het NVC aan de minister van Algemene Zaken (16 juli, 1945), Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Defensie: Vrijwillig Vrouwen Hulpkorps, nummer toegang 2.13.156, inventarisnummer 32.

[14] Algemeen rapport van de subcommissie over de gemilitariseerde vrouwenkorpsen, Atria, Archief NVC, inv.nr 152.

[15] Melchior D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945: De periode van het kabinet-Beel. 3 juli 1946 – 7 augustus 1948 (Band A) (Den Haag 1989) 811.

[16] Ibid.; Van Dissel en Bruijn, Bij de MARVA, 61.

[17] Van Dissel en Bruijn, Bij de MARVA, 80.

 

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top