Wars on Poverty: Lyndon Johnsons retoriek over Vietnam en de Great Society

Wars on Poverty: Lyndon Johnsons retoriek over Vietnam en de Great Society

Wars on Poverty: Lyndon Johnsons retoriek over Vietnam en de Great Society

1 reactie op Wars on Poverty: Lyndon Johnsons retoriek over Vietnam en de Great Society

LEES HIER DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS. BEKIJK HIER ONDERTUSSEN ALLE SCRIPTIES VAN DE UITGEVERIJ.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

 

door Koen Uffing

President Lyndon Johnson sprak graag over zijn beleid. In zijn vele speeches greep het zesendertigste staatshoofd van de Verenigde Staten (ambtstermijn 1963 – 1969) elke mogelijkheid aan om tekst en uitleg te geven over zijn scala aan liberale prioriteiten, zoals het bestrijden van binnenlandse armoede via de zogenaamde War on Poverty, het beëindigen van racisme, en het uitbouwen van de sociale zekerheid. Johnson vernoemde het totaalpakket aan deze agendapunten naar het einddoel dat hij meende na te streven: de creatie van een Great Society. Gedurende het jaar 1965 was de president echter ook genoodzaakt in het openbaar te spreken over dat andere grote beleidsthema waarmee hij in de geschiedenisboeken is beland: de escalatie van de Vietnamoorlog.

Het oordeel in deze geschiedenisboeken is veelal tweeledig. Enerzijds was Johnsons binnenlandse Great Society-beleid een succes, anderzijds was zijn escalatie van de Vietnamoorlog een faliekante mislukking. Historici hebben hierom de algemene geschiedschrijving over de Vietnamoorlog losgekoppeld van onderzoek naar de Great Society. Onderzoekers hebben echter nauwelijks uitgezocht of deze historiografische scheiding te herleiden is tot de woorden van de president zelf.

In dit artikel wordt daarom gezocht naar een antwoord op de vraag: hoe vervlocht Lyndon Johnson door middel van retoriek de escalatie van de Vietnamoorlog met zijn binnenlandse agenda? De overkoepelende thematiek van Johnsons speeches wordt onderzocht aan de hand van drie terugkerende morele thema’s: de veroordeling van maatschappelijk onrecht, de bevestiging van exceptionalistisch discours en het benadrukken van breuklijnen in de geschiedenis. Daaruit moet blijken of Johnsons speeches bijdroegen aan de blijvende erfenis van de Puriteinse moraliteit in de Amerikaanse cultuur. Hierna volgt een bescheiden verkenning van de bredere culturele context waarin Amerikaanse politieke retoriek kan worden gezien.

De progressieve jeremiad

De vooraanstaande cultuurhistoricus Sacvan Bercovitch herleidde het algemene gebruik van moraliteit in de Amerikaanse politiek tot de koloniale periode, waarin prominente Puriteinen reeds preekten over de voorbeeldfunctie van het nog prille New England.[1] Deze Puriteinen zagen hun kolonie als een City on a Hill en beschouwden zichzelf als een gemeenschap van uitverkorenen. Om hun boodschap kracht bij de zetten, kozen Puriteinse predikanten veelal voor een drieledige aanpak, waarbij in eerste instantie de successen van de gelovigen werden benadrukt, waarna in detail werd geaccentueerd hoe de parochie recentelijk in moreel verval was geraakt. Tot slot volgde een hoopvolle oproep andermaal vast te houden aan de oorspronkelijke geloofsartikelen. Alleen dan zou de Puriteinse kolonie voor de eeuwigheid behouden blijven, zo benadrukten de predikanten.

Bercovitch vergeleek deze aanpak met de donderpreken van de Bijbelse profeet Jeremia en beschreef deze retorische strategie als de American jeremiad. Tevens beweerde hij dat variaties op deze werkwijze tot ver na de koloniale periode werden toegepast in de Amerikaanse politiek. Zo stelde president Lyndon Johnson in maart 1965 het Amerikaanse belang gelijk aan dat van ‘het lot van de democratie’ en vroeg hij zijn publiek, als ware een priester die voorgaat in het gebed, zich aan te sluiten bij de goede zaak.[2] Johnsons parochie was die dag bijeengekomen als gevolg van uit de hand gelopen demonstraties in Selma, Alabama, waar de lokale politie hardhandig had afgerekend met vreedzame demonstranten van Martin Luther Kings Burgerrechtenbeweging. Vanuit zijn preekstoel in het Huis van Afgevaardigden predikte Johnson heldere woorden: ‘er [was] geen enkele reden tot trots rondom de gebeurtenissen in Selma.’[3]

Desalniettemin riep Johnson op tot geloof in de Amerikaanse democratie. In zijn rol als seculiere predikant verkondigde hij de unieke missie van de natie: ‘het corrigeren van misstanden, rechtvaardig handelen en het bevorderen van de mensheid.’ En als de Amerikanen andermaal vasthielden aan die idealen, dan zouden de Verenigde Staten in staat zijn om de duistere schaduw van racisme definitief achter zich te laten – een boodschap die de president samenvatte in de belofte ‘we shall overcome’.[4]

President Johnsons zogeheten ‘We Shall Overcome’ toespraak kan worden gezien als een seculiere twist op de Puriteinse jeremiad van weleer. Net als zijn Puriteinse voorgangers prees de president de historische successen van de Amerikaanse samenleving en net als zijn Puriteinse voorgangers beschreef hij hoe morele misstanden onderdeel waren geworden van de sociale realiteit. Tot slot volgde Johnson het voorbeeld van de zeventiende-eeuwse predikanten door moreel herstel in het vooruitzicht te stellen, indien de kernidealen van de gemeenschap andermaal in de praktijk werden gebracht.

President Johnson geeft een toespraak in december 1967. Afbeelding: Wikimedia Commons.

De retoriek van de Great Society

Ook de voor hem kenmerkende Great Society legde Johnson uit met behulp van morele overtuigingen. De Great Society – die officieel werd gelanceerd tijdens een campagnespeech in Michigan in de lente van 1964 – werd door Johnson nadrukkelijk naar voren geschoven als morele noodzaak, en bestond uit talrijke hervormingen die gericht waren op armoedebestrijding, sociale zekerheid en milieuwetgeving. Het beoogde eindresultaat omvatte niets minder dan het begin van een ‘nieuwe wereld’ waarin morele en spirituele behoeftes op gelijke voet konden staan met het streven naar materiële welvaart. Op deze wijze werd de Great Society niet alleen verkocht als een pakket aan beleidsmaatregelen, maar presenteerde Johnson zijn agenda als startpunt van een goedaardige transformatie van de Amerikaanse samenleving, waarna de Verenigde Staten andermaal zouden gelden als exemplarische City on a Hill.[5]

Daarnaast maakte Johnson tijdens zijn ambtstermijn gebruik van de optimistische Zeitgeist en riep hij de generatie van de jaren ‘60 uit tot een unieke in de geschiedenis. ‘Elke generatie een lot,’ zo betoogde Johnson tijdens zijn inaugurele rede van januari 1965.[6] Hoewel sommige generaties waren overgeleverd aan de onveranderlijke loop van de geschiedenis, had de generatie van de jaren ‘60 de unieke mogelijkheid haar eigen keuzes te maken. En tijdens zijn ‘Great Society’-speech op de Universiteit van Michigan beweerde de president dat ‘voor het eerst in de menselijke geschiedenis’ een generatie de kans had om haar gedroomde samenleving vorm te geven: een samenleving die tot stand zou komen aan de hand van de morele idealen van de Great Society.[7]

Inaugurele toespraak van Lyndon Johnson in januari 1965. Afbeelding: Wikimedia Commons.

De moraliteit van de Vietnamoorlog

Vergelijkbare moraliteit was te vinden in Johnsons buitenlandse retoriek. Toen de president in maart 1965 gedwongen werd om publiekelijk zijn langzaam escalerende Vietnampolitiek te rechtvaardigen, viel hij terug op morele thema’s. Hij verwees naar de heersende armoede in Zuidoost-Azië en benadrukte de Amerikaanse verplichting om hier iets aan te doen. Tevens bevatte de speech een pacifistische boodschap. Wapengekletter was namelijk niets meer dan een ‘symbool van menselijk falen’. Morele mijlpalen – zoals het bouwen van dammen, de elektrificatie van het platteland, of het mogelijk maken van hoogwaardig onderwijs – waren daarentegen wél imponerend en zouden aan de grondslag komen te liggen van Johnsons plannen voor Vietnam.[8] Met andere woorden: de Verenigde Staten zouden haar leger niet enkel inzetten voor geopolitieke doeleinden, maar evengoed ter bevordering van een internationale War on Poverty.

Waar zijn Great Society moest leiden tot een transformatie van de Amerikaanse samenleving, suggereerde Johnson dat zijn Vietnambeleid aan de basis stond van een substantiële metamorfose van de internationale politiek. Hij betoogde dat zijn generatie droomde van een wereld waarin conflicten louter met vreedzame middelen werden opgelost en sprak zijn hoop uit voor een ‘wereld zonder oorlog’.[9] In een speech bij de Verenigde Naties veroordeelde hij bovendien de historische praktijken van discriminatie en mensenrechtenschendingen en vroeg hij zijn buitenlandse collega’s het Amerikaanse voorbeeld te volgen hier een permanent einde aan te maken.[10]

Amerikaanse retoriek: een politieke religie?

Johnsons claims vertoonden een gelijkenis met het Puriteinse geloof in de uniciteit en voorbeeldfunctie van de Amerikaanse kolonie. Net als de Puriteinen aan boord van de Mayflower schetste de zesendertigste president van de Verenigde Staten utopische vergezichten omtrent breuklijnen met de ‘oude’ wereld en net als zijn Puriteinse voorgangers positioneerde de president het Noord-Amerikaanse continent als ware het grondgebied van de Nieuwe Wereld. Dit toont aan dat de ideeën van Bercovitch over de formatieve invloed van Puriteins gedachtegoed in de Amerikaanse cultuur verder gaan dan de argumentatievorm van de jeremiad alleen. De overkoepelende moraliteit en bijbehorend exceptionalisme – beiden zo kenmerkend voor het nationale discours in de Verenigde Staten – zijn evengoed geworteld in de tradities van het koloniale New England. Politici als Lyndon Johnson maakten blijkbaar maar al te graag gebruik van de culturele zeggingskracht van dit immateriële erfgoed.

Andere voorbeelden van politieke jeremia’s zijn tot ver na de jaren ‘60 te vinden. Zo betoogde president Obama in een klinkende jeremiad uit 2015 dat Johnsons beroemde Voting Rights Act behoorde tot de ‘kroonjuwelen van onze democratie’. Desalniettemin preekte Obama dat een recente uitspraak van het Hooggerechtshof de Voting Rights Act ernstig verzwakte en bekritiseerde hij Amerikanen voor het hebben van ‘een van de laagste opkomsten [bij verkiezingen] in de vrije wereld’. Maar, zo concludeerde de toenmalige president, de voortgang die geboekt was gedurende de afgelopen vijftig jaar was dusdanig dat de Amerikaanse samenleving weliswaar nog niet perfect was, maar wel degelijk stappen vooruit had gezet. Amerika verbeterde zichzelf namelijk continu en Obama spoorde zijn aanhang aan om de ‘heilige belofte’ van de Amerikaanse natie volledig in te lossen. Vanwege dit brandende geloof in Amerika waren de Verenigde Staten, ondanks de vele vergissingen in het verleden, toch exceptioneel.[11]

De preken van Amerikaanse politici kunnen aldus worden uitgelegd aan de hand van de blijvende relevantie van de Puritan Fathers. Puriteinse invloeden zijn tot op de dag van vandaag merkbaar in de praktijk van de Amerikaanse retoriek: een praktijk die doorspekt is met beloftes van vooruitgang, wedergeboorte en morele uniciteit.

Een Puriteinse eredienst. Afbeelding: gospeldrivendisciples.blogspot.com.

Wars on Poverty in binnen- en buitenland

Deze Puriteinse erfenis stelde Johnson dus in staat zijn retoriek van een overkoepelende thematiek te voorzien. Door het consequente gebruik van traditionele moraliteit – het voeren van oppositie tegen maatschappelijk onrecht, het bevestigen van exceptionalistisch discours en het benadrukken van breuklijnen in de geschiedenis – rijmde hij zijn binnenlandse beleid met de buitenlandse politiek. De historiografische scheiding tussen de Great Society en de Vietnamoorlog kan hierom niet worden herleid tot de retoriek van de president zelf.

In plaats daarvan sprak Johnson over de Great Society en Vietnam in vergelijkbare bewoordingen, waardoor de president beide initiatieven van extra cachet voorzag. Volgens het presidentiële narratief was de Great Society immers niet beperkt tot de Verenigde Staten en de liberale politieke signatuur, maar waren de onderliggende beleidsthema’s relevant voor alle kwetsbare groepen en samenlevingen, ongeacht woonplaats en politieke voorkeur. Ook Johnsons Vietnambeleid werd naar een hoger plan getild, omdat Amerikaanse troepen niet louter verwikkeld waren in een geopolitieke War on Communism, maar zich evengoed inzetten voor een mondiale War on Poverty, waardoor Johnsons retorische strategie slaagde in het vervlechten van de Vietnamoorlog met zijn binnenlandse agenda.

 

Koen Uffing (oktober 1994) is historicus. Hij behaalde zijn bachelor in 2017 aan de Universiteit Leiden, en volgt aldaar de onderzoeksmaster Political Cultures and National Identities. Koen specialiseert zich in moderne Amerikaanse geschiedenis, en is geïnteresseerd in thema’s op het raakvlak van politiek en cultuur. Tevens is hij is de beheerder van een online blog over cultuur en politiek, waar hij een historische draai geeft aan eigentijdse onderwerpen.

 

Noten

[1] Sacvan Bercovitch, The American Jeremiad (Madison 1978), 10-11.

[2] President Johnson, ‘We Shall Overcome,’ toespraak tijdens verenigde vergadering van het Amerikaanse parlement, 15 maart 1965, http://www.americanrhetoric.com/speeches/lbjweshallovercome.htm (bezocht: 21 februari 2017).

[3] Ibidem.

[4] Ibidem.

[5] President Johnson, ‘The Great Society,’ campagnespeech op de campus van de Universiteit van Michigan in Ann Arbor, 22 mei 1964, http://www.americanrhetoric.com/speeches/lbjthegreatsociety.htm (bezocht: 24 januari 2017).

[6] Inaugurele rede van president Johnson, 20 januari 1965, http://www.presidency.ucsb.edu/ws/?pid=26985 (bezocht: 23 januari 2017).

[7] President Johnson, ‘The Great Society.’

[8] President Johnson, ‘Peace Without Conquest,’ toespraak op de universiteit van Johns Hopkins in Baltimore, 7 april 1965, http://www.lbjlibrary.org/exhibits/the-presidents-address-at-johns-hopkins-university-peace-without-conquest (bezocht: 25 november 2016).

[9] Ibidem.

[10] President Johnson, toespraak bij het twinstigste jubileum van het Handvest van de Verenigde Naties in San Francisco, 25 juni 1965, http://millercenter.org/president/lbjohnson/speeches/speech-5664 (bezocht: 14 december 2016).

[11] President Obama, toespraak bij het vijftigste jubileum van de burgerrechtenmars in Selma, Alabama, 7 maart 2015, http://www.presidency.ucsb.edu/ws/index.php?pid=109728&st=Selma&st1= (bezocht: 14 februari 2017).

About the author:

1 Comment

Back to Top