Zeeën van kennis – Kennis van zeeën

Zeeën van kennis – Kennis van zeeën

Zeeën van kennis – Kennis van zeeën

Geen reacties op Zeeën van kennis – Kennis van zeeën

Deze column werd op 8 mei 2019 uitgesproken tijdens ‘Water – Historisch Café’ in het Delfts Archief, georganiseerd door Jong KNHG en Jonge Historici – mede mogelijk gemaakt door het Hendrik Muller Fonds, GO Fonds, het Delfts Archief, Erfgoed Leiden en Omstreken en Brouwerij De Koperen Kat.

Archieven houden niet van water. Toch zwemmen er allerhande zeewezens in rond: in de vorm van beschrijvingen, maar ook als haastig gemaakte potloodschetsen of juist zorgvuldig ingekleurde aquarellen. In mijn promotieonderzoek kom ik tijdens archiefbezoeken ook weleens een echte vis tegen, waarvan de huid al sinds de achttiende eeuw tegen de pagina zit geplakt. In die periode werd er namelijk een methode ontwikkeld waarmee men, door de huid van de vis van het vlees te scheiden, deze tussen bladzijden kon bewaren als in een soort visherbarium. Op deze manier konden natuurvorsers vissen eenvoudig verzamelen en bewaren – en ze rondsturen naar hun beste natuurminnende vrienden: leuk om te geven én te krijgen.

Ooit is gesteld dat de oceaan leeg is van geschiedenis, volkomen zonder verleden. Zoals de Amerikaanse oceaanhistoricus Helen Rozwadowksi het ook wel stelt: oceanen zijn door historici lange tijd vooral beschouwd als oppervlaktes en/of leegtes. De oceaan diende om van A naar B te komen en fungeerde vooral als achtergrond, of beter, ondergrond, voor verre reizen en expedities. Maar wat er eigenlijk zoal ín die oceaan gebeurde, en hoe men zich daar door de eeuwen heen een beeld van probeerde te vormen… die vragen stelden historici zich tot vrij kort geleden nauwelijks. Dat terwijl er een lange traditie is van studie naar de onderwaterwereld. Met name vanaf de vroegmoderne tijd werden allerhande waterwezens als wieren, kreeften, vissen en zeemonsters aan grondige studie onderworpen. Natuuronderzoekers gingen op veldwerk uit, stuurden elkaar brieven met mooie waarnemingen of prangende vragen, en zonden elkaar dus ook af en toe (wat fragmenten van) zo’n zeewezen toe. Deze bevindingen werden gepubliceerd in natuurhistorische boeken.

Exemplaar uit viscollectie van Gronovius, nu in Natuurhistorisch Museum Londen (foto auteur)

Wat konden achttiende-eeuwers precies weten over de onderwaterwereld? Nog niet al te veel over de diepere lagen ervan. Hoewel hulpmiddelen om mee te duiken al in voorgaande eeuwen waren ontworpen en benut, waren ze niet geschikt om lange en diepe zeereizen mee te maken. Duikbrillen werden bijvoorbeeld gebruikt om koraal of parels mee op te diepen, of zogenaamde “duikelaars” zetten ze op om schatten van gezonken schepen te bergen. De beweegredenen voor het duiken waren naast economisch ook natuurfilosofisch. Met name in de zeventiende eeuw werden geavanceerde ontwerpen bedacht en soms ook uitgevoerd: zoals een houten onderzeeboot die zich met hulp van roeiers voortbewoog, of glazen duikerklokken. Deze apparaten bleven echter vrij ongewoon en erg lang hield men het er niet mee vol onder water.

De natuurvorsers die meer wilden weten over wat er in het water leefde en groeide moesten zich dan ook baseren op wat ze konden spotten tijdens een vaartochtje over zee, of in ondiepere wateren dicht bij de kust, of op wat er aanspoelde op het strand. Ook kon men praten met strandjutters, vissers, visverkopers, koks en huishoudsters. Wat was er die dag aangespoeld of gevangen? Hoe zeldzaam was dit wezen? Wat zou men zien als het werd opengesneden? Waar kon het voor worden gebruikt? Door hun eigen waarnemingen en die van anderen te bundelen brachten natuurvorsers langzaam maar zeker de wereld onderwater in kaart. Tot op zekere diepte bleef de zee echter ook in de achttiende eeuw vrij mysterieus – aloude verhalen over zeeslangen en meerminnen bleven de ronde doen en verdienden serieuze studie. Onomstotelijk bewijs dat deze wezens niet bestonden was immers nog niet geleverd, en de zee werd beschouwd een bron van overvloed die talrijke schepsels voortbracht.

Dat soorten eindig konden zijn was in die tijd ondenkbaar. Dat zou immers niet stroken met de voorzienigheid van de Schepper: waarom zou Hij in vredesnaam soorten scheppen die vervolgens weer zouden ophouden te bestaan? In de loop van de negentiende eeuw vatte wel het idee post dat soorten niet vast en constant zijn, maar juist voortdurend in ontwikkeling: soorten kunnen veranderen en zelfs verdwijnen. Het hoe en waarom van deze veranderingen werd door verschillende soorten evolutietheorieën verklaard. Eén zo’n evolutiedenker was de tegenwoordig niet meer zo bekende Franse geleerde Jean-Baptiste de Lamarck. Hoewel hij, hetzij schoorvoetend, best wilde toegeven dat sommige landdieren mogelijk konden uitsterven door toedoen van de mens, gold dat niet voor de waterwezens. Deze konden ten slotte altijd nog afdalen naar de diepste regionen van de zee waar de mens niet toe kon doordringen. Zo waren ze gevrijwaard van definitief verdwijnen.

Eind negentiende eeuw kreeg men door dat sommige vissoorten uit bepaalde gebieden verdwenen, en dat dat onder andere te wijten was aan langdurige en intensieve bevissing. De aanhoudende walvisjacht had bijvoorbeeld schadelijke gevolgen voor het aantal walvissen dat in de Noordzee rondzwom. Een blik op vroegmoderne natuurhistorische boeken leert dat walvissen voorheen elk jaar in grote groepen langs de Nederlandse kusten bleken te trekken – terwijl we ze nu niet meer zo gauw in ‘onze’ wateren tegenkomen. Andere soorten die hier traditioneel voorkomen, zoals de paling, zien we ook steeds minder terug. Historici spelen een rol bij het in kaart brengen van deze veranderingen. Ze combineren hun kennis en kunde met de expertise van ecologen en maken op basis van historische bronnen reconstructies van de verspreiding van verschillende soorten door de eeuwen heen.

Men zou nu niet gauw meer durven beweren dat de wereld onder water geen verloop en verandering kent. Maar hoewel er grote zorgen zijn over toekomstige veranderingen in en van de oceaan en diens bewoners, veranderingen die op hun beurt weer desastreuze effecten zullen hebben op de mens, lijkt een brede kentering in het handelen uit te blijven. Juist dat maakt een blik op het verleden relevant. Ten eerste omdat er nog meer ruimte is voor samenwerking tussen historici en ecologen. Ten tweede omdat historici inzicht kunnen bieden in hoe men door de eeuwen heen de wereld onderwater op verschillende manieren bestudeerde en benaderde – en tonen dat we in staat zijn tot, en toe zijn aan, een nieuwe fase in deze geschiedenis.

 

Door Didi van Trijp.

Didi van Trijp studeerde wetenschapsgeschiedenis- en filosofie aan de Universiteit Utrecht. Ze is geïnteresseerd in de manier waarop men in de vroegmoderne tijd probeerde de natuur om zich heen te duiden, en hoe verschillende soorten kennis, expertise en ervaring hierin een rol speelden. In het proefschrift dat ze schrijft aan de Universiteit Leiden past ze deze vragen op natuurhistorische verkenningen van de onderwaterwereld toe.

About the author:

Leave a comment

Back to Top