Essay | Oude wijn in nieuwe zakken – Moderne hertalingen van heidense mythen

De heidense mythen van weleer zijn springlevend. Terwijl (super)heldhaftige goden als Thor en Loki het afgelopen decennium heersten over het domein van de bioscoop, stond hun Griekse evenknie Hercules in de jaren ‘90 al aan de top van de Olympus van Hollywood. Ook in andere mediavormen beleven heidense Europese goden een wedergeboorte: talloze videogames, stripboeken, en romans hebben de afgelopen decennia voor inspiratie uit de lang vervlogen sagen van het prechristelijke Europa geput. Mythologische verhalen zijn, met andere woorden, booming business.

Dat dit spirituele erfgoed van het Europese continent nog altijd tot de verbeelding spreekt, is opvallend te noemen. Tijdens de kerstening van Europa heeft de katholieke kerk er namelijk alles aan gedaan om deze “heidense” verhalen met harde hand uit te bannen. De literaire merites van de prechristelijke mythen en sagen bleken echter dusdanig sterk, dat oude goden de gedwongen overgang naar het christendom hebben kunnen doorstaan. Sterker nog: moderne hervertellingen van hun gebundelde avonturen zijn in de eenentwintigste eeuw uitgegroeid tot bestsellers in de internationale boekhandels.

In dit artikel komen twee van zulke bestellers aan bod: Neil Gaimans Norse Mythology, en Stephen Fry’s Mythos. We bespreken een aantal verschillen en overeenkomsten tussen beide boeken, en gaan na of deze moderne hertalingen de oude mythen recht doen. Daarnaast laten we zien hoe Gaiman en Fry zich door te innoveren juist aansluiten bij een historische traditie.

Oude sagen, nieuwe stijl

Neil Gaimans Norse Mythology is een goed voorbeeld van een succesvolle hertaling van heidense mythen en sagen. In wezen is Gaimans boek oude wijn in nieuwe zakken. De oude wijn in kwestie bestaat uit de mythen en sagen van de oude Noormannen, die bewaard zijn gebleven in de middeleeuwse verzamelingen van de zogeheten Edda’s. De nieuwe zak omvat de eigentijdse vertelstijl van Neil Gaiman: de Engelse sterschrijver wiens palmares vooral bestaat uit gelikte urban fantasy romans als American Gods, Anansi Boys, en The Ocean at the End of the Lane. In Norse Mythology bundelt Gaiman de canon van de Noordse mythen in een bijzonder vermakelijk boekwerk, zonder daarbij de inhoudelijke kern van de Noordse teksten uit het oog te verliezen. Het resultaat is een moderne heruitvinding van de Noordse sagen, waarin recht wordt gedaan aan de verklarende functie die deze verhalen ooit hebben gehad.

Emil Doepler, Thor und die Midgardschlange (1905).

Een van de belangrijkste factoren die bijdragen aan het eigentijdse karakter van Norse Mythology is Gaiman’s vlotte schrijfstijl. Gaiman kiest ervoor om de Noordse goden een modern vocabulair (“Shut up, Thor”) in de mond te leggen. Als gevolg wordt de cultuurhistorische afstand tussen het Noordse pantheon en de moderne lezer grotendeels weggevaagd.

Het voordeel van deze aanpak is duidelijk: als “wij” als lezers dichterbij de helden en schurken van de Noordse sagen kunnen komen, wordt het voor ons makkelijker om de betreffende verhalen toe te eigenen. Het nadeel van zo’n liberale hertaling ligt echter eveneens voor de hand: de taalkundige en religieuze band die bestond tussen de Noordse samenleving en diens mythen gaat grotendeels verloren. In plaats daarvan worden de Noordse goden gepresenteerd als personages die het product zijn van de eenentwinstige-eeuwse literatuur.

Een ruimdenkende hertaling

Gaiman toont zich bewust van de cultuurhistorische functie die de Noordse mythen in het verleden hebben vervuld. In zijn boek neemt de Engelse schrijver regelmatig de tijd om de magische gebeurtenissen uit de Noordse sagen te koppelen aan fenomenen uit de “echte” wereld. Zo “herleidt” Gaiman het ontstaan van poëzie tot de goddelijke verovering van The Mead of Poets, en legt hij uit hoe de twinkelende sterren in de sterrenhemel “in werkelijkheid” de voormalige ogen van de reus Thiazi zijn.

Door de magie van de Noordse mythen te koppelen aan de waarneembare wereld van het dagelijks leven, slaagt Gaiman erin de verklarende functie van mythische verhalen in beeld te brengen. In de middeleeuwse samenleving van de oude Noormannen – die nog niet kon beschikken over de gedetailleerde kennis van de moderne wetenschap – konden verhalen uit een mythologische canon immers houvast bieden in een verder ondoorgrondelijk universum.

Louis Moe, Ragnarok (1898).

De spannende avonturen van goden zoals Thor, Odin en Loki boden dus niet alleen een spirituele ervaring voor goedgelovige Vikingen, maar waren tevens hulpmiddelen die konden worden gebruikt om de wereld beter te kunnen begrijpen. Wat dit betreft waren de Noordse mythen niet alleen een bron van spiritualiteit: ze waren een bron van kennis. Dat Gaiman deze cultuurhistorische functie van mythen en sagen in Norse Mythology incorporeert, getuigt van zijn expertise over de door hem bewerkte Noordse teksten.

Grappige goden

Een andere auteur die zijn inspiratie put uit mythologische verhalen is de Engelse Stephen Fry, al heeft Fry ervoor gekozen zich te focussen op de Griekse mythologie. Fry is naast auteur voornamelijk bekend als acteur, onder andere om zijn komische rollen in tv-programma’s zoals Blackadder en A Bit of Fry and Laurie. Zijn gevoel voor humor en liefde voor Griekse mythologie resulteerde in de publicatie van zijn populaire Mythos.

Bij het schrijven van Mythos heeft Fry er bewust voor gekozen in mindere mate trouw te blijven aan de historische Griekse teksten, en in plaats daarvan humor prominenter in de mythes naar voren te brengen. Complexe relaties tussen goden veranderen in smeuïge familiedrama’s, en de lezer kan zacht grinniken om de herkenbaarheid die zij zien in deze eeuwenoude mythologische personages.

Dit wil niet zeggen dat Fry de door hem gekozen verhalen zo heeft vervormd dat de originele mythes slechts als bouwstenen in de nieuwe verhalen terug te vinden zijn. Bij lange na niet. Fry kiest er enkel voor een eigen invulling te geven aan de gedachten van personages of de precieze details van interacties.

Giorgio Vasari, Kronos verslaat Ouranos (16e eeuw).

Neem bijvoorbeeld zijn hervertelling van de Theogonie van Hesiodus, een mythe over het ontstaan van de wereld en diens goden. Het verzoek van Gaia (de oermoeder) aan haar nakomelingen om in opstand te komen tegen hun vader wordt in Mythos uitgebreid tot een queeste langs haar talloze kinderen, waarna Gaia uiteindelijk terechtkomt bij haar jongste zoon Kronos. Kronos wordt vervolgens, met dank aan Fry, door enkele andere goden als een zwaarmoedig “emo-type” neergezet. Het is moeilijk voor te stellen dat Hesiodus een dergelijke interpretatie voor ogen had.

Leren, of amuseren?

Mag Fry’s Mythos dannog wel bestempeld worden als een vertelling van de oud-Griekse mythen? Wat ons betreft wel. De Grieken hadden een informele, orale traditie waarin verhalen werden overgedragen. Geen enkele mythe werd exact hetzelfde verteld. Zelfs van de geschreven exemplaren bestaan vele verschillende versies. Het is daarom verre van ondenkbaar dat een oude Griekse verhalenverteller het werk van Hesiodus hier en daar ‘verbeterde’ om zijn publiek even goed te laten lachen. Fry is, op zijn eigen manier, de moderne versie van deze grappige Griek.

Dit brengt ons bij de vergelijking tussen beide auteurs. Zowel Gaiman als Fry hebben op hun eigen manier oude verhalen nieuw leven in geblazen: Net als Gaiman hanteert Fry een moderne schrijfstijl met onder meer als doel mythen toegankelijk te maken voor een niet-gespecialiseerd publiek. Waar Gaiman ervoor koos zich te focussen op de Noordse sagen, boog Fry zich juist over de Griekse mythologie.

Greek mythology systematized (1880).

Een belangrijk verschil tussen Fry en Gaiman is echter dat Fry verder gaat in zijn ambitie om het publiek te amuseren. Terwijl Norse Mythology trouw blijft aan de serieuze toon van de Noordse sagen, bewerkt Fry de oud-Griekse drama’s tot literaire komedies. Beide auteurs lijken als doel te hebben gehad hun publiek te willen amuseren en onderwijzen door middel van het hervertellen en interpreteren van mythologische verhalen. Dat Gaiman daarbij meer een focus op het onderwijzen en Fry op het amuseren heeft gelegd, neemt niet weg dat beide auteurs hun doel hebben bereikt. De orale traditie van het vertellen van mythes was immers fluïde – een perfecte afspiegeling van een mythologisch verhaal is dus afhankelijk van in welke spiegel men kijkt.

Een nieuw likje verf

De Griekse en Noordse mythen spreken nog altijd tot de verbeelding. De sagen over Thor en Kronos blijven boeiend, omdat ze de lezer simpelweg veel te bieden hebben. Dat Fry en Gaiman met deze personages succes hebben, ligt dus deels aan hun bronmateriaal.

Dat betekent echter niet dat alle lof naar de oude Grieken en Noormannen moet uitgaan. Het succes van Gaiman en Fry ligt immers ook aan hun vermogen om spannende, maar grotendeels ontoegankelijke verhalen voor een breed publiek begrijpelijk te maken.

Ondanks hun verschillende werkwijzen – qua toon en de mate van historische accuratesse – lukt het Gaiman en Fry dus allebei om de enorme kloof tussen “hun” heidense mythen en de moderne lezer te vervagen. Gezien de ouderdom van de teksten waar de twee auteurs mee werken, is dat een prestatie van formaat.

Leonce Legendre, Achilles doodt Hector (1831-1893).

Het lijkt paradoxaal, maar juist door te innoveren met deze verhalen sluiten beide auteurs aan in een lange verteltraditie. Zo hielden vertellers van mythische verhalen in de Griekse oudheid al sterk rekening met hun beoogde publiek. Hoewel er altijd in zekere mate wordt teruggegrepen naar de “originele” verhalen, creëert elke nieuwe verteller (zij het in boek, film, theater of een andere vorm) zijn of haar eigen versie. Een mythe wordt een nieuw verhaal in de context van zijn eigen tijd.

Wat dit betreft doen Norse Mythology en Mythos dus zonder meer recht aan de heidense verhalencultuur die de Noordse en Griekse mythen hebben voortgebracht. Door trouw te blijven aan de historische verhalencultuur waardoor zij geïnspireerd zijn, ontpoppen Neil Gaiman en Stephen Fry zich namelijk als vaandeldragers van een lange en rijke historische traditie. Het succes hiervan is dan ook zeker terug te zien in de populariteit van de beide werken. Schijnbaar worden goede verhalen nooit oud nieuws.

Door Koen Uffing en Anne Rozekrans.


Koen Uffing is een historicus met een passie voor schrijven. Hij schrijft veel over herinneringscultuur en de Noordse mythen. Anne Rozekrans is een historicus met een zwak voor oude verhalen. Zij geniet ervan om oud-Griekse verhalen door te vertellen aan geïnteresseerde lezers. Samen zijn Anne en Koen de beheerders van Pinkerness: een Engelstalige blog waarin zij schrijven over de moderne versies van historische mythen. Pinkerness kan worden gevolgd op Twitter.

Posts created 1022

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven