Ruth Goren: ‘Dollfuß spricht – die Menge gähnt’

Ruth Goren

Samenvatting

Engelbert Dollfuß maakte in 1933, in hetzelfde jaar dat Hitler de macht in Duitsland overnam, van Oostenrijk een dictatuur. Ondanks het feit dat Dollfuß in juli 1934 om het leven werd gebracht, hield zijn regime stand tot de Anschluss van 1938. Historici zijn het sindsdien oneens over hoe het Dollfuß-regime het beste omschreven kan worden. Eén stroming historici stelt dat onder Dollfuß een traditioneel, conservatief-christelijk en autoritair bewind werd ingesteld. Hiertegenover staat een groep die beweert dat Dollfuß een nieuwe vorm van politiek bedrijven invoerde: het austrofascisme, een Oostenrijkse variant op het fascisme dat in de jaren dertig aan populariteit won. In dit essay bespreekt Ruth Goren deze discussie en bepaalt zij op basis van primair en secundair bronnenmateriaal hoe het Dollfuß-regime het beste gedefinieerd kan worden. Een aanrader voor lezers geïnteresseerd in geschiedenis van het fascisme, Oostenrijk en de internationale verhoudingen tijdens het interbellum.

Download de PDF

Ruth Goren (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

Inleiding

Onder Engelbert Dollfuß werd in 1933 in Oostenrijk een dictatuur gevestigd. Toen Dollfuß in 1932 als kanselier van de Eerste Oostenrijkse Republiek aan de macht kwam was er een hevige tegenstelling tussen de drie partijen van Oostenrijk: de Sozialdemokratische Arbeiterpartei (SDAP), de Christlichsoziale Partei CSP en de Großdeutsche Volkspartei (GDVP). Bovendien verkeerde Oostenrijk in een economische crisis. Dollfuß, die tot de CSP behoorde, vond het vooral van belang de sociaaldemocraten buiten de deur te houden en zocht contact met de fascistische Heimwehr. Ter rechterzijde kreeg hij echter ook te maken met een toenemende dreiging en concurrentie van de Nationalsozialistische Arbeiterpartei (NSDAP), zowel binnen Oostenrijk als vanuit Duitsland.
Over de dictatuur die hij in maart 1933 vestigde, de Ständestaat, bestaan in de literatuur twee opvattingen: sommigen zien deze als traditioneel, christelijk en autoritair, terwijl anderen deze bestempelen als een Oostenrijkse variant van het fascisme: het austrofascisme. In buurland Duitsland kwam Adolf Hitler in 1933 aan de macht. Oostenrijk was een cruciaal element in zijn buitenlandse politiek: het land moest Heim ins Reich komen: voor Oostenrijkse onafhankelijkheid was in zijn optiek geen plaats. De nazi’s probeerden het Dollfuß-regime te ondermijnen. Ten gevolge van de naziterreur werd de NSDAP op 1 juni 1933 verboden in Oostenrijk. De naziterreur nam in 1934 weer toe. De nazi’s probeerden de macht over te nemen door middel van een Putsch op 25 juli 1934. De Putsch mislukte, maar maakte een einde aan Dollfuß’ bewind. Dollfuß werd twee maal neergeschoten door de SS’er Otto Planetta en overleed aan de gevolgen doordat hem medische hulp werd ontzegd.
Interessant is het om te onderzoeken, hoe nazi-Duitsland deze vijandige houding tot de Eerste Oostenrijkse Republiek in deze periode uitte en legitimeerde. Hiertoe wordt in dit werkstuk als achtergrond voor het beantwoorden van deze vraag de Eerste Oostenrijkse Republiek onder Dollfuß beschreven, maar ook de ideologie van Hitler inzake Oostenrijk in het algemeen en hoe hij dit specifieke regime heeft willen ondermijnen.
Daarna zal door middel van het onderzoeken van de redes die Hitler over Oostenrijk gehouden heeft in 1933 en 1934 en de aantekeningen in het dagboek van propagandaminister Joseph Goebbels onderzocht worden hoe zij zich verhielden tegenover Oostenrijk. Daarnaast wordt de krant van de NSDAP, de Völkischer Beobachter, onderzocht op hoe zij berichtte over twee gebeurtenissen uit de Eerste Oostenrijkse Republiek: de Oostenrijkse Burgeroorlog van februari 1934 en de Juli-Putsch op 25 juli 1934.

1 De Eerste Oostenrijkse Republiek onder Engelbert Dollfuß

Dr. Engelbert Dollfuß van de Christlichsoziale Partei (CSP) werd op 20 mei 1932 bondskanselier van Oostenrijk. Het land dat hij ging besturen, verkeerde in grote problemen. Oostenrijk leed zwaar onder de economische crisis, waar de wereld na de beurskrach van Wall Street van 1929 door getroffen werd. Naast de economische malaise heerste er in Oostenrijk ook toenemende verdeeldheid tussen de politieke partijen en bewegingen: er ontstond steeds meer spanning tussen sociaaldemocraten, christensocialen, de fascistische Heimwehr en de nationaalsocialisten.
De historicus F.L. Carsten schetst in zijn werk The First Austrian Republic 1918-1938 aan het einde van de jaren twintig en begin van de jaren dertig een grote economische bankencrisis. In 1929 viel de Bodencreditanstalt om, die daarna in de belangrijke bank de Creditanstalt werd opgenomen. Deze bank raakte echter ook in problemen. De financiële malaise zorgde ervoor dat de Oostenrijkse regering, in de periode van 1929 tot 1930 onder Johann Schober van de Großdeutsche Volkspartei, aan de Engelse regering vroeg om financiële hulp te bieden voor de moeilijke situatie. Toch liepen de tekorten van de banken steeds verder en verder op. Onder Dollfuß’ voorganger, de christelijk-sociale Karl Buresch, die van 1931 tot 1932 regeerde, ontstond in eerste instantie het idee om de Creditanstalt aan te pakken. Toen Dollfuß eenmaal tot kanselier was gekozen op 20 mei 1932 wilde ook hij de bank niet om laten vallen, omdat dit desastreuze gevolgen zou hebben voor andere banken en de bevolking.
Tijdens het kabinet van de christelijk-sociale Otto Ender van 1930 tot 1931 had zich een ander probleem aangediend. Dit kabinet streefde namelijk naar een tolunie van Oostenrijk en Duitsland. Volgens Carsten leidde dit tot geschrokken reacties van Frankrijk, Groot-Britannië en de kleine Entente, die bestond uit Tsjecho-Slowakije, Roemenië en Joegoslavië. Oostenrijk en Duitsland konden de tolunie niet doorzetten, in verband met de noodzaak van het lenen van buitenlands krediet. Bovendien stond een tolunie vrij dicht bij het idee van een politieke Anschluss bij Duitsland. Dit was echter in het verdrag van St. Germain, onderdeel van de Parijse Vredesbesprekingen in 1919, verboden.
Dollfuß’ kabinet trad aan in deze onzekere tijden. Volgens Carsten was het allesbehalve vanzelfsprekend dat dit kabinet stand zou houden en een positieve verandering teweeg zou brengen. Oostenrijk werd op dat moment namelijk van twee kanten bedreigd: door de Heimwehr aan de ene kant en door het sterk in aanhang stijgende nationaalsocialisme aan de andere kant.’
Aangezien de NSDAP de traditionele partijverhoudingen doorbrak, kreeg zij voornamelijk aanhang onder de jeugd. Ook de Heimwehr, een voornamelijk christelijk-sociale paramilitaire beweging, vormde een groeiend probleem. Met deze beweging, die volgens Carsten in 1929 op zijn hoogtepunt was, ging het echter op dat moment alweer bergafwaarts. De Heimwehr, die onder leiding stond van Prins Ernst Rüdiger von Starhemberg, verloor namelijk steeds meer leden aan de NSDAP. De beweging kreeg echter wel steun vanuit Italië door Benito Mussolini.
De regering-Dollfuß bleek echter geen sterke regering. Volgens Walter Goldinger en Dieter A. Binder had Dollfuß slechts een nipte meerderheid en ging hij daarom op zoek naar andere manieren om zijn regering van voldoende steun te verzekeren. Hierdoor schoof hij steeds verder naar rechts op en zocht hij contact met de Heimwehr. Hij moest hierdoor wel steeds meer gehoor geven aan een meer autoritair gedachtegoed.

De periode waarin Dollfuß aan de macht was, wordt door historici verdeeld in de periode voor 4 maart 1933 en de periode daarna: de cesuur tussen parlementaire democratie en autoritaire of austrofascistische staat. Op 4 maart legden drie voorzitters van de Nationalrat, het Huis van Afgevaardigden van Oostenrijk, namelijk hun functie neer: Karl Renner van de SDAP, Rudolf Ramek van de CSP en Sepp Straffner van de GDVP. Zij deden dit naar aanleiding van onregelmatigheden bij een stemming over het al dan niet ingrijpen tegen een spoorwegstaking. Over deze gebeurtenis bestonden volgens W.B. Simon toentertijd twee opvattingen: ‘Eine Auffassung unterstützt der Auffassung der Bundesregierung, daß das Parlament sich selbst ausgeschaltet habe(…). Dem entgegen steht die Ansicht, daß diese im Affekt durchgeführten Amtsniederlegungen der Regierung einen willkommenen, aber gesetzlich nicht fundierten Vorwand lieferten, das Parlament loszuwerden.’
Carsten kiest voor de tweede interpretatie. Hij stelt dat Dollfuß profiteerde van de ‘zelfuitschakeling’ van het parlement van 4 maart 1933. Bovendien werd de dreiging van nationaalsocialistische zijde steeds groter. Ook Simon is van mening dat Dollfuß door de kleine meerderheid van zijn regering hulp zocht buiten de politiek bij de Heimwehr en het leger.
Goldinger en Binder stellen dat de bevolking niet begreep waarom Dollfuß zo sterk ageerde tegen de concurrentie van Hitler-Duitsland. Dit werd als tegennatuurlijk ervaren: het pro-Anschluss gedachtegoed had namelijk al jaren vorm kunnen krijgen en had aanhang onder een groot deel van de bevolking. Dollfuß kon niet verzekerd zijn van bijval van de Heimwehr, omdat deze steeds meer naar het nationaalsocialisme overging. Om zich van hun assistentie te verzekeren, koos hij ervoor om een uitgesproken antisocialistische politiek op na te houden: de Heimwehr was immers erg antisocialistisch. In de tussentijd probeerden de sociaaldemocraten Frankrijk en Engeland over te halen om hulp te bieden om het parlement weer terug te krijgen. Hiertoe ging men niet over, vanwege de steun die het Dollfuß-regime kreeg van Mussolini. Mussolini’s politiek was immers sterk tegen de socialisten gericht. Ook Dollfuß zelf was ervan overtuigd dat, als er vanuit nazi-Duitsland geprobeerd zou worden een Anschluss af te dwingen, Mussolini achter hem zou staan en zou helpen dit te verhinderen. Hij vroeg echter ook steun aan de Engelsen en de Fransen tegen de Duitse dreiging. Dollfuß bleef tegen de socialisten gekant: iedere toenadering tot de socialisten zou de nazi’s alleen maar helpen. De tendens was dat hij hierdoor steeds meer naar rechts opschoof.

Op 12 februari 1934 had de politie opdracht gekregen van de regering het hoofdkwartier van de SDAP in Linz te doorzoeken op wapenbezit. De Republikanischer Schutzbund, de paramilitaire organisatie van de SDAP, hield dit echter tegen. De socialisten reageerden hierop door een landelijke staking af te kondigen. Daarna braken in de steden gevechten uit tussen de socialisten en de door de Heimwehr gesteunde regering. De regering had alles snel weer onder controle door hardhandig op te treden: de sociaaldemocratische partij werd verboden en er kwam een einde aan het van oudsher rode bolwerk Wenen. Er volgden echter nog meer repressieve maatregelen, waarin de vakbonden en alle andere socialistische bedrijven, stichtingen, verenigingen en clubs werden ontbonden. Dollfuß kwam hiermee tegemoet aan de Heimwehr, die een meer autoritaire staat wilde. Het zag er naar uit dat een zelfstandig Oostenrijk nu niet meer voort zou kunnen bestaan: de erfenis zou of naar Italië of naar Duitsland gaan. De laatste optie leek haast onvermijdelijk.
Het Oostenrijkse regime baseerde zich, volgens Carsten, op drie zaken. Het regime was gestoeld op de Rooms-Katholieke Kerk enerzijds en het leger en politie anderzijds. Ten derde steunde Dollfuß op de Heimwehr, hoewel steeds meer leden van de Heimwehr overliepen naar de NSDAP.
Over hoe de Oostenrijkse staat eruit zag, nadat de parlementaire democratie ophield te bestaan, bestaan twee opvattingen. De ene opvatting behelst het idee dat Oostenrijk overging tot het gebruiken van uiterlijke kenmerken van fascisme om zichzelf tegen de dreiging van het nationaalsocialisme van Hitler te beschermen, dat door Hitlers succes in buurland Duitsland steeds meer in opkomst was. Het zou juist tegen het fascisme gekant zijn, doordat het zich tegen nazi-Duitsland keerde. Aan de andere kant van het spectrum bestaat de opvatting dat Oostenrijk fascistisch werd. Het kapitalisme en de democratie waren ondermijnd door de slechte economische situatie en doordat Oostenrijk zo afhankelijk was van geld dat afkomstig was uit het buitenland.
Historicus Mark Mazower schrijft over de aard van het Oostenrijkse regime, dat hoewel het Oostenrijkse fascisme duidelijke overeenkomsten vertoonde met nazi-Duitsland, het ook een zeer belangrijk verschil kende: de katholieke religie was van groot belang.
In zijn boek The Anschluss movement omschrijft Alfred D. Low de periode waarin Dollfuß aan de macht was, als een periode waarin Dollfuß een tweefrontenoorlog (1 woord, ook als Word vindt van niet) aan het voeren was. Enerzijds tegen het nationaalsocialisme dat afkomstig was uit Duitsland en Oostenrijk zelf en anderzijds tegen de sociaaldemocraten. Ook onder zijn navolger Kurt von Schuschnigg, die Oostenrijk van 1934 tot de Anschluss in 1938 regeerde, zou deze politiek haar vervolg krijgen.

Ondertussen lag Duitsland op de loer: de NSDAP verkreeg namelijk steeds meer aanhang in Oostenrijk sinds Adolf Hitler op 30 januari 1933 in Duitsland aan de macht was gekomen. Voorheen was de NSDAP slechts een onbeduidende partij. Dollfuß trad streng op tegen de acties van de nazi’s onder leiding van de Duitser Theodor Habicht, door de partij in juni 1933 te verbieden en door de doodstraf opnieuw in te voeren. Ondergronds gingen de acties van de nazi’s echter door. Nazi-Duitsland volgde de ontwikkelingen in Oostenrijk op de voet en wachtte af om actie te ondernemen zodra de regering Dollfuß een moment van zwakte zou tonen. De nazi’s voerden hun op de Anschluss gerichte propagandacampagne op.
Op 25 juli 1934 meenden de nazi’s dat het moment was gekomen om in te grijpen in Oostenrijk. 154 nazi’s, waaronder een aanzienlijk aantal SS’ers, die zich verkleed hadden als Oostenrijkse soldaten of politieagenten, gingen de grens over en probeerden een coup te plegen. Ze drongen de bondskanselarij en het nationale radiostation binnen. Ze riepen op de radio om dat de regering van Dollfuß was gevallen en dat er nu een regering gevormd zou worden door Anton Rintelen, een christen-sociale politicus die contacten met de nazi’s onderhield. In de bondskanselarij was Dollfuß samen met vicekanselier Emil Fey, een andere belangrijke leider van de Heimwehr en rivaal van Starhemberg, en de partijloze staatssecretaris Carl Freiherr von Karwinsky een van de weinige aanwezigen in het gebouw.
Ondertussen droeg de bondspresident Wilhem Miklas (het was de putschisten niet gelukt hem gevangen te nemen) de regering over aan de minister van Justitie, Kurt von Schuschnigg en werd het radiostation door Oostenrijkse troepen die het regime trouw waren, bestormd. Schuschnigg wilde niet met de putschisten onderhandelen, maar gaf wel de garantie dat zij ongehinderd naar Duitsland terug konden keren, mits er geen doden te betreuren waren. Dit was echter wel het geval: Dollfuß werd aangevallen en twee keer neergeschoten door de SS’er Otto Planetta en overleed aan zijn verwondingen. Een belangrijke reden voor het mislukken van de Putsch en voor de loyaliteit van de Oostenrijkse troepen lag in het buitenland: Mussolini steunde de Oostenrijkse onafhankelijkheid en had troepen naar de Brennerpas gestuurd.
Ian Kershaw schrijft in zijn Hitlerbiografie over de mislukte Putsch van 1934, dat het eigenlijk niet duidelijk is of Hitler er zijn fiat aan gegeven had. Het zou niet mogelijk zijn geweest om een Putsch te plegen, als Hitler het hier mee oneens zou zijn geweest. Hitler was echter niet volledig geïnformeerd door de leider van de Oostenrijkse NSDAP, Theodor Habicht. Deze zou Hitler verteld hebben dat het Oostenrijkse leger een coup zou plegen en vroeg hier steun voor. Het Oostenrijkse leger was dit echter niet van plan: de putschplannen waren afkomstig van de Oostenrijkes nazi’s. Hitler ging internationaal af door deze gebeurtenis en de Duits-Italiaanse betrekkingen verkilden.

2 Oostenrijk door de ogen van nazi-Duitsland

Hitler voer in eerste instantie een gematigde buitenlandse politiek, ook al hield hij er duidelijk wel buitenlandse ambities op na, die hij in de jaren 1920 in Mein Kampf en in diens ongepubliceerde opvolger Das Zweite Buch geformuleerd had. Ook volgens Ian Kershaw had Hitler tijdens de eerste maanden van zijn kanselierschap nog niet veel gedaan aan de buitenlandse politiek. Dit veranderde in oktober 1933. Vanaf dat moment hoorde incorporatie van Oostenrijk daar nadrukkelijk bij. Het lukte hem om de schijn van gematigdheid op te houden, tot het moment van de Juli-Putsch in Oostenrijk.
Het realiseren van een Groot-Duitsland was een van de eerste buitenlandse doelstellingen van Hitler. Oostenrijk zou op dezelfde wijze nationaalsocialistisch moeten worden als Duitsland, waarna de Anschluss werkelijkheid zou moeten worden. Dat er in Oostenrijk een regime ontstond dat ideologisch verwant was aan het naziregime betekende dat er een rivaal bij was gekomen.
W.B. Simon schrijft ten aanzien van de houding die het naziregime erop na hield ten aanzien van Oostenrijk dat Hitler steun verleende aan de nationaalsocialistische terroristische groeperingen in Oostenrijk. Bovendien probeerde Hitler de Oostenrijkse regering te ondermijnen door een Tausend-Mark-Sperre in te voeren. Dit hield in, dat Duitsers die op vakantie wilden in Oostenrijk, duizend mark moesten neertellen. In Oostenrijk bliezen de nationaalsocialistische activisten spoorbruggen en telefooncellen op en stichtten brand. Daarnaast was er sprake van geweldpleging aan het adres van joden en aanhangers en leden van de regering. Dollfuß ondernam echter wel harde maatregelen tegen de terroristische acties door in 1933 de NSDAP te verbieden en de doodstraf opnieuw in te voeren. Hierdoor namen de terroristische acties wat af.

De houding van Hitler tegenover Oostenrijk is ook terug te vinden in de redevoeringen die hij gehouden heeft over dit onderwerp. Op het moment dat Hitler op 30 januari 1933 de macht greep staat zijn eerste vermelding over Oostenrijk en ook over Dollfuß in Max Domarus’ Hitler. Reden und Proklamationen.1932-1945. Kommentiert von einem deutschen Zeitgenossen. Hitler stuurde Dollfuß het volgende telegram: ‘Durch den Herrn Reichspräsidenten an die Spitze der deutschen Regierung berufen, beeile ich mich, Ihnen, Herr Bundeskanzler, die herzlichsten Wünsche für die Wohlfahrt des deutschen Brudervolkes in Österreich zu übermitteln.’ In dit telegram is nog geen enkele vijandigheid te bespeuren jegens de Oostenrijkse staat of Dollfuß. Naar buiten toe lijkt er nog geen echt Oostenrijk-beleid geformuleerd te zijn.
Het is Domarus die over het jaar 1933 af en toe een opmerking toevoegt ten aanzien van de ontwikkelingen van Oostenrijk. De eerstvolgende keer dat Domarus op Oostenrijk wijst, is op 28 mei 1933. Hij wijst erop dat Oostenrijk een verandering doormaakt onder Dollfuß: ‘In Österreich aber versuchte der dortige Bundeskanzler Dollfuß, selbst eine antiparlamentarische Diktatur mit faschistischen Methoden zu errichten und dadurch den Anschluß an das Hitler-Reich zu verhindern.’ Dit wijst erop dat Hitler heimelijk wél een Oostenrijk politiek had. Goldinger en Binder zijn ook van mening dat het weliswaar duidelijk was dat Hitler de Anschluss nastreefde, maar dat nog onduidelijk was welke koers hij zou varen. Terwijl Hitler terughoudendheid propageerde, werd dit niet door de Oostenrijkse nationaalsocialisten opgepakt. In Berlijn keek men juist naar de ontwikkelingen in Oostenrijk om na te gaan de situatie al geschikt was om in te grijpen, hoewel men in die tijd nog niet echt tot actie over wilde gaan.

Een andere manier om inzicht te krijgen in de Oostenrijk-politiek die het nazi-regime erop nahield is het bekijken van de dagboeken van Joseph Goebbels, de minister van Volksaufklärung und Propaganda. Hij schreef naast over zijn privéleven ook veel over de politiek van het regime. Hij maakte vrij vaak melding van Oostenrijk onder Dollfuß, oftewel over deösterreichische Frage. De eerste keer dat hij dit deed was op 27 mei 1933: ‘Debatte über Österreich. Paßvisum von 1 000 Mk beschlossen. Das bringt Dollfuß zum Sturz. So ist es auch gemeint. Damit werden den Herren in Wien die Nucken vergehen’. Deze maatregel, die tegen het toerisme in Oostenrijk gericht was, werd op 1 juni van dat jaar ingevoerd.
Meestal waren Goebbels’ opmerkingen over Dollfuß echter van persoonlijke aard: Goebbels liet vaak zijn minachting voor Dollfuß blijken. Goebbels leverde kritiek op het in zijn ogen niet legitieme bewind van Dollfuß, door te verwijzen naar dat de nazi’s en soms hijzelf in het bijzonder grotere populariteit genoot dan Dollfuß: ‘Armer Dollfuß! Ich schreibe nur Autogrammen’. Goebbels maakt Dollfuß echter ook zwart door te hem uit te schelden. Wanneer hij op 25 september 1933 bericht over dat hij bij een bijeenkomst van de Volkenbond aanwezig was, waar Dollfuß ook aanwezig was, schrijft hij: ‘Dollfuß: ein Zwerg, ein Geck, ein Schlawiner.’
Toch is Goebbels niet alleen maar negatief. Toen hij op 27 september 1933 weer over de Oostenrijkse kwestie berichtte, nu in het kader van de Italiaans-Duitse betrekkingen, gaf hij aan misschien wel met Dollfuß om de tafel te willen zitten, nadat de minister van buitenlandse zaken, Konstantin Hermann Karl Freiherr von Neurath met Dollfuß gesproken zou hebben:

‘Ich möchte mich gerne mit Dollfuß besprechen. Er scheint auch mürbe zu sein. (…) Möchte gerne Lösung der österr. Frage. Will Neurath mit Dollfuß zusammenbringen, damit er sondiert. Dann könnte vielleicht auch ich mit ihm reden, vorausgesetzt, daß er mürbe ist.’

Deze relatieve mildheid is echter van korte duur. De aanval op Dollfuß’ persoon werd een dag later alweer opgepakt:’Dann Dollfuß. Der kleine, der in die Weltpolitik verschlagen wird. Mit dem Papst zusammen will er die soziale Frage lösen. Noch winziger, als ich gedacht hatte. Ein Millimeter-Mann.’ Hieruit wordt duidelijk dat Goebbels hem niet alleen belachelijk maakte vanwege zijn geringe lengte, maar dit ook gebruikte om aan te tonen dat Dollfuß politiek ongeschikt was.

25 november 1933 berichtte Goebbels weer, naar aanleiding van het sneuvelen van een Duitse soldaat aan de Oostenrijkse grens: ‘Deutscher R.W. Soldat an österr. Grenze erschossen. Peinlich für Dollfuß.’ Deze gebeurtenis werd ook door Hitler zelf opgepakt om de Oostenrijkse regering aan te vallen. Op 27 november 1933 keerde Hitler zich voor het eerst openlijk tegen Dollfuß’ regime. In de toespraak die ter ere van deze soldaat gehouden werd, wordt duidelijk hoe Hitler eigenlijk dacht over Dollfuß. Ook geeft deze rede de mening van Hitler weer als het gaat om het voorbestaan van een Oostenrijkse staat en de Oostenrijkse bevolking:

‘Die Mörder dieses deutschen Soldaten sind nicht identisch mit den Millionen unserer Stammesbrüder jenseits der Grenze. Würden diese Stammesbrüder die Möglichkeit besitzen, ihre Stimme frei zu erheben, so würden sie sich feierlich lossagen von den Mördern und den Prinzipien, aus denen diese Blutschuld erwuchs.’

Hitler spreekt hier voor het eerst duidelijk uit dat hij het regime van Dollfuß niet legitiem acht en dat diens regime onderdrukkend van aard is. De Oostenrijkse bevolking zou, als ze het voor het zeggen had, een nationaalsocialistisch regime kiezen.

Wanneer Domarus vooruitblikt op het jaar 1934 zegt hij dat het Hitler niet gelukt is om in Oostenrijk op legale wijze de macht te grijpen. Daarom probeerde hij het met geweld en wel in de Putsch van 25 Juli 1934. Na het mislukken zou hij ‘seine Kameraden, die er zu diesem Vorgehen veranlaßt hatte, ohne mit der Wimper zu zucken, ihrem Schicksal [überlassen E.F.].’

Het duurde tot januari 1934 voordat Goebbels weer berichtte over Dollfuß. Vanaf dat moment werd de Oostenrijkse kwestie belangrijker. Op 4 februari kwam de zaak in een stroomversnelling terecht. Goebbels berichtte namelijk dat hij en Hitler de situatie in Oostenrijk bespraken: ‘Österreich will den Völkerbond herantreten Dollfuß der Judas! (…) Mit Führer Kaiserhof. Österr. Frage durchgesprochen.’ Op 10 februari bericht Goebbels weer: ‘Papen sehr nett. Will in der österr. Frage vermitteln. Es steht sehr schlecht um Dollfuß. Aber wir können nur, wenn wir die Führung bekommen. Ich sage das Papen ganz offen.’
Op 12 februari breekt echter de Oostenrijkse burgeroorlog uit. Goebbels was hiervan erg onder de indruk. Op 14 februari schreef hij: ‘In Österreich schwere Kämpfe. (…) Mit Führer österreich. Frage.’ Ook schreef hij die dag over 12 februari, toen hij thuis ziek in bed lag:

‘Österreich tolle Kämpfe. Über 500 Tote. Dollfuß der Scherge. Roten wehren sich verzweifelt. Unsere Presse tobt. (…) Schwere Bürgerkriegskämpfe in Wien.(…) In Österreich Bürgerkrieg. Reichkanzlei Beratung der Lage. Ich kann nicht aus dem Hause heraus. Und zittere vor Ungeduld.’

Klaarblijkelijk werd er in Berlijn gespeculeerd of dit een gelegenheid zou zijn om in Wenen in te kunnen grijpen, als zou blijken dat de Oostenrijkse regering haar legitimiteit zou verliezen door de burgeroorlog te verliezen. Nadat de zaak in Wenen weer gekalmeerd was en duidelijk geworden was dat de regering-Dollfuß de winnaar van de burgeroorlog was, schreef Goebbels weer over de situatie op 21 februari. Nu echter over de Landesinspekteur van de Oostenrijkse NSDAP, Theodor Habicht:

‘Nachricht: Habicht hat Dollfuß über den Rundfunk 8tägiges Waffe standsangebot gemacht. Mit an die Macht oder dann erhöhter Kampf.(…)dummheit: erstens versperren wir uns so den Weg zu den marx. Arbeitern zweitens wird uns nach den 8 Tagen vom Ausland alles in die Schuhe [ge]schoben. Hitler schreit Habicht furchtbar am Telephon an. Ein quatschender Dilettant! Furchtbar, diese kindischen Fehler!’

Kennelijk was het moeilijk om de Oostenrijkse nazi’s in het gareel te houden en gingen zij op eigen houtje te werk, terwijl dit Berlijn in verlegenheid bracht. Het zou niet de laatste keer zijn dat dit gebeurde. In maart bezorgde Habicht Goebbels nog steeds kopzorgen. Goebbels was van mening dat deze man niet geschikt was voor zijn functie. Het opvallende is dat hij hier aan de opstandige socialistische arbeiders refereert als potentiële nationaalsocialisten, wat betekent dat Goebbels een grote concurrent van het nationaalsocialisme in Oostenrijk zag.
Goebbels komt op 18 juni weer terug op Oostenrijk. Hij schreef het volgende in zijn dagboek: ‘ Österreich: Dollfuß weg! Neuwahlen unter einem neutralen Vertrauensmann. Einfluß der Nazis nach Stimmenanzahl. Wirtschaftsfragen werden von Rom und Berlin gemeinsam erledigt. Beide einverstanden. Wird Dollfuß mitgeteilt werden.’ Blijkbaar waren Duitsland en Italië tot een overeenkomst gekomen over hoe het op economisch terrein verder moest met Oostenrijk. Misschien deed Hitler hier een concessie aan Mussolini, of pretendeerde hij dat hij Oostenrijk zou willen delen met Italië.
Iets meer dan een maand later, op 24 juli, berichtte Goebbels iets over de ophanden zijnde Putsch: ‘Ob es gelingt? Ich bin sehr skeptisch.’ Dit geeft aan dat Berlijn hier volledig van op de hoogte was en zijn fiat gegeven had aan de Putsch. Twee dagen later schreef hij over de resultaten van de Putsch. Toen duidelijk werd dat deze mislukt was, ondanks het uitschakelen van Dollfuß, probeerde Goebbels zoveel mogelijk imagoschade voor het naziregime te voorkomen: ‘Neurath am Telephon. Wir merzen die ärgsten Schäden aus. Prop.Min. Arbeitet fabelhaft.’ Niet alles leek verloren: de gehate Dollfuß was immers uit de weg geruimd en de Oostenrijkse staat was flink schade toegebracht. De buitenlandse pers sprak er echter schande van. ‘Auch die italienische. Peinlich!’
De dagen erna schreef Goebbels over de Italiaanse verontwaardiging over het voorval: er waren Italiaanse groepen naar de grens gestuurd. Goebbels gaf de pers opdracht tegen Italië te schrijven. Goebbels was tevreden met hoe de pers loog over de gang van zaken in Wenen: iedere Duitse betrokkenheid werd ontkend.
Hitler, die pas na de Putsch weer officieel een uitlating deed over Oostenrijk, gaf een ‘ambtelijke mededeling’ uit, waarin hij zei, dat er na grondig onderzoek gebleken was dat Duitsland niets met de Putsch in Wenen te maken had. Slechts één persoon had een dergelijk bericht verspreid: Theodor Habicht. Deze was uit zijn ambt ontheven.’
Hitler stuurde zijn vicekanselier Von Papen naar Wenen op een speciale missie, volgens hem om de banden met Oostenrijk te herstellen. Hitler benadrukte in zijn brief aan Papen nog eens zijn vredelievende bedoelingen: ‘Das Attentat gegen den österreichischen Bundeskanzler, das von der deutschen Reichsregierung auf das schärfste verurteilt und bedauert wird, hat die an sich schon labile politische Lage Europas ohne unsere Schuld noch weiter verschärft.’
Op 5 augustus deed Hitler nog een gewichtige uitspraak over Oostenrijk:

‘Wir werden Österreich nicht angreifen, aber wir können Österreicher nicht hindern zu versuchen, ihre frühere Verbindung mit Deutschland wieder herzustellen. Diese Staaten sind nur durch eine Linie getrennt, und beiderseits dieser Linie leben Völker derselben Rasse. (…)Die österreichische Unabhängigkeit liegt außerhalb jeder Diskussion, und niemand stellt sie in Frage.’

De Oostenrijkse onafhankelijkheid waar Hitler hier over sprak, zou echter nog maar vier jaar duren, voordat de Anschluss werkelijkheid zou worden. Voorlopig was zij echter nog gewaarborgd.

3 Burgeroorlog en Putsch: Oostenrijk in de Völkischer Beobachter

In de Völkischer Beobachter (VB), de partijkrant van de NSDAP, werd ten tijde van Dollfuß’ bondskanselierschap bijna iedere dag verslag gedaan van Oostenrijk. Er waren slechts enkele momenten waarop Oostenrijk niet aan bod kwam, bijvoorbeeld toen Hitler tot rijkskanselier benoemd werd of het overlijden van rijkspresident Paul von Hindenburg. Wanneer er iets bijzonders in Oostenrijk gebeurde, werd dit dagen aaneen verslagen op de voorpagina. Over het algemeen schreef deze krant zeer negatief over Oostenrijk. Het regime van Dollfuß, of het ‘Dollfuß-System’, zoals de krant het zelf noemde, was in en in slecht en moest omver geworpen worden door een nationaalsocialistisch regime. Belangrijkste in de berichtgeving was de opvatting dat de Oostenrijkse staat zich openlijk tegen de nazi’s keerde en dat, belangrijker, het regime de voorkeur zou geven aan de sociaaldemocraten of ‘(austro-)marxisten’. Als deze laatste groep al gestraft werd, dan waren deze straffen veel milder dan de straffen die men aan de nazi’s oplegde.
Een ander punt dat telkens werd belicht, was de slechte economische situatie waarmee Oostenrijk kampte. Ook al werden er miljoenen in het land gepompt door het buitenland, waarbij de VB voornamelijk wees op Engeland en Frankrijk. Het mocht helaas niet baten. Het regime was niet in staat de economische malaise op te lossen. Het ergste aan het Oostenrijkse regime volgens de VB was dat het niet naar de wens van het volk luisterde. Deze wens bestond uit het vestigen van een Groot-Duitsland, waarin alle Duitsers samen verenigd zouden zijn. Uiteraard zou dit verenigde Duitsland een Duitsland onder Adolf Hitler moeten zijn: ook de Oostenrijkers zagen in hem hun Führer. Hij zou alle problemen van het Oostenrijkse volk kunnen oplossen. Geen twee gebeurtenissen werden echter zo uitgebreid weergegeven in de VB als de Oostenrijkse burgeroorlog en de Juli-Putsch. De officiële mening van het Hitler-regime werd in beide gevallen zeer sterk naar voren gebracht.

De VB berichtte voor het eerst over de Oostenrijkse burgeroorlog in februari 1934 op 13 februari. Op de voorpagina stond: ‘Die Dollfuß-Staat ist aufgegangen. Blutiger Marxistenaufstand in ganz Oesterreich’. In verschillende artikelen werd verslag gedaan van dat Wenen onder standrecht stond, dat de sociaaldemocratische partij van Oostenrijk ontbonden werd, dat het Rathaus bezet werd door politie en leger en dat er bij alle onlusten in Wenen al drie doden en 18 zwaargewonden te betreuren waren. Deze dag is de berichtgeving nog betrekkelijk neutraal. Daarna gebeurde er iets opvallends in de berichtgeving. Waar de nazi’s normaal juist sterk tegen het socialisme gekant waren, koos men ervoor nog steeds tegen de Oostenrijkse regering te ageren en voor het gemak te vergeten dat de Oostenrijkse regering tegen socialisten streed.
Op 14 februari opende de krant dan ook de aanval op Dollfuß en zijn regering. De voorpagina opent met: ‘Dollfuß und Fey, die Schuldigen am Massenmorden in Oesterreich.’ De marxisten, zoals de krant naar de Weense socialisten verwees, moesten het stellen zonder hun gearresteerde leiders, maar vochten desondanks verder. De regering had de situatie nog niet onder controle.
Op 15 februari kwamen er nog twee verwijten aan het adres van Dollfuß bij. Zo werd hij nu beticht van het vermoorden van onschuldige vrouwen en kinderen en voerde hij ook nog eens onterecht een aanval op het socialistische aspect van het nationaalsocialisme uit:

‘Und diese Regierung Dollfuß wagt es, von einer Zertrümmerung aller sozialen Rechte und Errungenschaften durch den Nationalsozialismus zu sprechen, obwohl die Nationalsozialistische Regierung sich als eine der sozialistischen Regierungen der Welt erwiesen hat, indem sie dem schaffenden deutschen Menschen die modernste Sozialverfassung der Welt gab.’

Door deze woordkeuze werden de beschuldigingen aan het adres van de nationaalsocialisten door Dollfuß gelijk gesteld aan zijn acties tegen de socialisten in eigen land. Dollfuß werd op deze manier afgeschilderd als iemand die faliekant tegen alle vormen van socialisme was.
De VB gooide het op 16 februari over een andere boeg, door verslag te doen van de reacties op Oostenrijk van de buitenlandse pers: ‘“Die Arbeiterschaft ist von Erbitterung gegen die Regierung Dollfuß erfüllt. Im kommenden politischen Kampf wird sich das unglückliche Österreich Adolf Hitler zuwenden”’. De VB koos zorgvuldig enige passages uit buitenlandse kranten uit. Het gebruik van deze passages is interessant. Ze worden gebruikt om het naziregime in een positief daglicht te zetten, maar het idee dat Oostenrijk in de armen van Hitler gedreven werd zal de buitenlandse pers hoogstwaarschijnlijk niet verblijd hebben. Een dag later werd de positie van Dollfuß er volgens de VB niet beter op, omdat Dollfuß in zijn strijd tegen het nationaalsocialisme hulp zou proberen te zoeken bij de socialisten, de groep die hij bevochten had. Ook werd gesteld dat zijn regime niet langer houdbaar was na de burgeroorlog. Tenslotte kopt de VB op 23 februari: ‘Dollfuß’ Schuld am Bürgerkrieg’. De politie zou Dollfuß gewaarschuwd hebben voor mogelijke escalatie van onrust die zij gesignaleerd had. ‘Viel Blutvergieten hätte verhindert werden können, wenn der Bundeskanzler der Polizei Gehör geschenkt hätte.’

De Putsch van 25 Juli 1934 zorgde ook voor zeer veel artikelen in de VB. Deze mislukte Putsch geeft een goed beeld van hoe nazi-Duitsland zich naar het buitenland toe opstelde over Oostenrijk. De versie van het gebeurde die naar buiten werd gebracht lag namelijk ver van de werkelijkheid: men beweerde er niets mee te maken te hebben. In de tijd vlak voor deze gebeurtenis bleef de krant de Oostenrijkse bondskanselier bestoken met negatieve berichten. Toen echter bleek dat de Putsch mislukt was en Dollfuß aan de gevolgen overleden was, moest de krant een andere koers varen. Het onderwerp van alle spot was immers niet meer in leven.
Op 26 juli opende de krant: ‘Volksabrechnung mit der Dollfuß-Regierung”.Hierin staat dat volk en leger in opstand zijn gekomen tegen het regime. Een andere krantenkop luidde dat Dollfuß bij de opstand zwaar gewond was geraakt en aan zijn verwondingen was gestorven.
Een dag later beweerde de VB dat Duitsland niets te maken had met de Putsch, nadat grondig onderzoek was uitgevoerd: ‘Die im Laufe des heutigen Tages abgeschlossene eingehende Prüfung und Vernehmung ergab, daß keine deutsche Stelle im irgendeinem Zuhammenhang mit den Ereignissen steht.’ Toch hield de Duitse betrokkenheid bij de Putsch de gemoederen van Berlijn en daarmee automatisch de redactie de dag erna nog bezig. Ook deze keer werd de buitenlandse pers ingeschakeld om middels fragmenten aan te geven dat het toch echt ging om ‘eine rein österreichische Angelegenheit, mit der Deutschland nichts zu tun hat’.
In het artikel ‘Wo sitzen die Urheber des Putsches?’ van 1 augustus werd op krampachtige wijze nog eens geprobeerd aan te tonen dat men er niets mee te maken had, door nogmaals te benadrukken dat het om een opstand van volk en leger ging. Op deze manier begint het ‘ooggetuigenverslag’: ‘Von einem Augenzeugen der zufällig im Bundeskanzleramt anwesend war, als dort der Überfall am 25. Juli erfolgte (…)erhalten wir folgendes Bericht über seine Eindrücke und Erlebnisse. Der Betreffende unterstreicht ausdrücklich, daß er völlig objektiv berichte.’
In Duitsland diende zich echter een nieuwe gebeurtenis aan: de oude rijkspresident, Paul von Hindenburg lag op sterven. Als een geluk bij een ongeluk konden de kranten zich richten op het overlijden van Von Hindenburg op 2 augustus 1934 en kon men eindelijk het pijnlijke onderwerp ‘Putsch’ eindelijk achter zich laten.

Conclusie

De eerste maanden dat Adolf Hitler aan de macht was als rijkskanselier, besteedde hij nog niet zo veel aandacht aan de buitenlandse politiek. Na een aantal maanden veranderde dit. De Anschluss met Oostenrijk werd tot één van de politieke doeleinden van het regime. Als argument hiervoor werd aangevoerd dat er in Oostenrijk mensen van het Duitse ras woonden. Deze Duitsers moesten leven onder het slechte regime van Engelbert Dollfuß, terwijl zij niets liever zouden willen dan samen opgaan in een Groot-Duitsland: Oostenrijk was onderdeel van de Heim ins Reich-politiek van Hitler. Bovendien was hij van mening dat de Oostenrijkse staat niet goed functioneerde: de economische situatie was erg slecht, en niemand steunde de eigen regering. Hitler zou de persoon bij uitstek zijn om het getergde land van de ondergang te redden en de wens van het volk, namelijk de Anschluss, eindelijk in vervulling doen gaan.
Dit volgens de nazi’s zo gehate regime van Dollfuß, stelde zich tot doel een onafhankelijk Oostenrijk te handhaven. Het regime voerde een tweefrontenoorlog, tegen de sociaaldemocraten enerzijds en de nationaal-socialisten, zowel uit Oostenrijk zelf als uit Duitsland afkomstig. Tot 4 maart 1933 was Oostenrijk onder Dollfuß een parlementaire democratie, maar daarna kreeg het regime steeds meer antidemocratische en fascistische trekken, waarbij Dollfuß gesteund en geïnspireerd werd door het Italië van Benito Mussolini.
Deze Oostenrijkse staat werd door Duitsland continu als een staat zonder bestaansrecht bestempeld, zowel door Hitler als door Joseph Goebbels. Goebbels uitte regelmatig zijn minachting voor Dollfuß in zijn dagboeken: de Oostenrijkse bondskanselier was niet alleen klein van stuk, wat hem tot onderwerp van spot maakte, hij was ook niet tegen zijn taak opgewassen en dus volledig ongeschikt. Bovendien achtte Goebbels Dollfuß’ antisocialistische politiek ongunstig voor de nazi’s, omdat de socialisten weleens potentiële aanhang van de NSDAP zouden kunnen vormen: het nationaalsocialisme had immers ook een duidelijke sociale kant.
In de Völkischer Beobachter (VB) werd erg veel aandacht geschonken aan de Oostenrijkse kwestie, in het bijzonder aan de Oostenrijkse Burgeroorlog en aan de Juli-Putsch. Tijdens de burgeroorlog, die gevoerd werd door de regering en de socialisten, koos de VB de kant van de ‘marxisten’. Dit is erg opvallend, aangezien het bolsjewisme een grote vijand was van het naziregime. Het zwartmaken van de regering Dollfuß werd belangrijker geacht dan het vasthouden aan het gebruikelijke antisocialisme en anticommunisme.
Na de mislukte Juli-Putsch op 25 juli 1934, waarbij Oostenrijkse nazi’s probeerden het Dollfuß-regime omver te werpen, probeerde de Duitse pers zich te distantiëren van het gebeurde: men ontkende tevergeefs iedere betrokkenheid. In de periode net voor de Putsch namen de artikelen die negatief over Oostenrijk berichtten sterk toe en sloegen zij een steeds hardere toon aan: er werd steeds harder om een regimewisseling geroepen. Nadat duidelijk was geworden dat de Putsch mislukt was, werd plotseling op een meer neutrale wijze verslag gedaan. De dood van de oude Rijkspresident Paul von Hindenburg op 2 augustus 1934, slechts enkele dagen na de Putsch, kwam de Duitse regering en de VB goed uit: hierdoor hoefde er niet meer bericht te worden over de Oostenrijkse kwestie. Deze was namelijk erg pijnlijk voor het naziregime. Naast het feit dat het mislukt was, was de internationale kritiek enorm. De poging tot het verbloemen dat Duitsland er iets mee te maken had gehad, mislukte faliekant. Bovendien bestond Oostenrijk nog steeds en zou nog bijna vier jaar in dezelfde vorm blijven voortbestaan onder Kurt von Schuschnigg. Toch zou de druk vanuit nazi-Duitsland te groot zou blijken, wat resulteerde in de Anschluss: de annexatie van Oostenrijk door Hitler-Duitsland in maart 1938.
Bronnen

[IISG] ‘Das marxistenhörige Dollfuß-System’, Der Völkischer Beobachter. Kampfblatt der nationalsozialistischen Bewegung Großdeutschlands (06-12-1933).

[IISG] Theo Habicht, ‘Oesterreich vor der Katastrophe. Der Nationalsozialismus kommt, wie imm Reich, so auch im Oesterreich zur Macht, so oder so!, Der Völkischer Beobachter. Kampfblatt der nationalsozialistischen Bewegung Großdeutschlands (08-02-1934).

[IISG] ‘Bisher 3 Tote, 18 Schwerverletzte Polizisten in Wien’,Völkischer Beobachter (13-2-1934).

[IISG] ‘Dollfuß und Fey, die Schuldigen am Massenmorden in Oesterreich’, Völkischer Beobachter (14-2-1934).

[IISG]´Dollfuß´verbrecherischer Aufruf´,Völkischer Beobachter (15-2-1934).

[IISG] ‘Die Weltpresse gegeb Dollfuß’ Massenmorden’, Völkischer Beobachter (16-2-1934).

[IISG] ‘Nach dem Chaos der Straße das Chaos der Führung. Dollfuß bettelt bei den besiegten Roten um Hilfe gegen die Nationalsozialisten’, Völkischer Beobachter (17-02-1934).

[IISG] ‘Dollfuß’ Stellung unhaltbar’, Völkischer Beobachter (17-02-1934).
[IISG] ‘Dollfuß’ Schuld am Bürgerkrieg’, Völkischer Beobachter (23-02-1934).

[IISG] ‘Dollfuß spricht – die Menge gähnt. Die Bauernversammlung in Wien ein Fiasko’, Völkischer Beobachter (07-05-1934).

[IISG]”Volksabrechnung mit der Dollfuß-Regierung. Volk und Bundesheer in gemeinsamer Abwehr des Systemschreckens’, Völkischer Beobachter (26-07-1934).

[IISG] ‘Keine deutsche Stelle am Wiener Putsch beteiligt’, Völkischer Beobachter (27-07-1934).

[IISG]’Objektive Auslandsstimmen zum Wiener Putsch. “eine rein österreichische Angelegenheit, mit der Deutschland nichts zu tun hat”’, Völkischer Beobachter (28-07-1934).

[IISG]’Wo sitzten die Urheber des Putsches?’Völkischer Beobachter (01-08-1934).

Hitler, A., in: Domarus, M., Hitler. Reden und Proklamationen 1932-1945. Kommentiert von einem Zeitgenossen (Würzburg 1962).

Goebbels, J., in: E. Frölich, Die Tagebücher von Joseph Goebbels. Im Auftrag des Instituts für Zeitgeschichte und mit Unterstützung des Staatlichen Archivdienstes Rußlands (München 2005).

Goebbels, J., in: E. Frölich, Die Tagebücher von Joseph Goebbels. Im Auftrag des Instituts für Zeitgeschichte und mit Unterstützung des Staatlichen Archivdienstes Rußlands (München 2006).

Literatuurlijst

Binder, D.A. En W. Goldinger, Geschichte der Republik Österreich. 1918-1938 (Wenen en München 1992).

Carsten, F.L., The first Austrian Republic 1918-1938. A study based on British and Austrian Documents (Aldershot 1986).

Domarus, M., Hitler. Reden und Proklamationen 1932-1945. Kommentiert von einem Zeitgenossen (Würzburg 1962).

Kershaw, I., Hitler. 1889-1936. Hubris (Londen 1998).

Lee, S.J., European dictatorships. 1918-1945 (New York 2008).

Lewis J., ‘Austria. ‘Heimwehr’, ‘NSDAP’ and the ‘christian social’ state’ in: Aristotle A. Kallis ed., The fascism reader (Londen en New York 2003).

Low, A.D., The Anschluss Movement. 1931-1938. And the Great Powers (New York 1985).

Mazower, M., Dark Continent (Londen 1999).

Simon, W.B., Österreich 1918-1938. Ideologien und Politik (Graz en Wenen 1984).

Thamer, H.U., Verführung und Gewalt. Deutschland 1933-1945 (Berlijn 1986).

Posts created 993

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven